Overweging 13 maart

Het zwijgen van God

luisterenIn onze naoorlogse cultuur is de afwezigheid van God een steeds terugkerend thema in de kunsten en het denken. De romanschrijver Jan Siebelink vertrouwt ons toe: “Het zwijgen van God. Dat is misschien wel mijn grootste angst.” Je komt het tegen in de geschriften van Eli Wiesel. Geboren in Hongarije uit Joodse ouders die een kruidenierszaakje dreven. In 1944, hij was 16 jaar, werden zij gedeporteerd naar Auschwitz, waar zijn moeder en zus werden omgebracht en hij en zijn vader naar het aangrenzende werkkamp werden gestuurd. In januari 1945 werden zij gedwongen te marcheren naar Buchenwald. Daar stierf zijn vader. Na afloop van de oorlog werd Elie ondergebracht in een weeshuis, ging studeren aan de Sorbonne in Parijs en werd ervan overtuigd zijn ervaringen in de holocaust op te schrijven. Dat leidde tot zijn eerste roman met de titel ‘En de wereld zweeg’. Het is niet alleen God die zweeg, een God die afwezig was, het was ook de medemens, de wereld die zweeg en afwezig was. Onze worsteling of er een God is die spreekt en voor ons opkomt, gaat vaak op met een worsteling of er mensen zijn die hun mond open doen bij onrecht en voor ons willen opkomen. Jakob heeft daar aan de rivier de Jabbok, in de nacht van zijn leven dat uit te vechten. En hij hoort: je hebt met God gestreden en met mensen.

De ervaring van de afwezigheid van God, van zijn zwijgen als het erop aan komt, staat in een schril contrast met vele verhalen in de bijbel waar God regelmatig duidelijk spreekt. De God van jodendom en christendom blijkt juist als een levende en sprekende God te worden gepresenteerd. Elie Wiesel nam in Auschwitz afscheid van die God. Later begon hij toch weer over Hem te spreken. Dit  verlangen naar God en tegelijk het vaststellen dat Hij zich niet uitspreekt, is typerend voor onze moderne cultuur.

Voor vele christenen nu is het zwijgen van God een probleem. Je hebt bijvoorbeeld grote zorgen. Je bent ziek. Je bidt om genezing of om uitkomst uit de misère. Maar de hemel zwijgt. Je krijgt geen antwoord. Er gebeurt niets. Neem het iemand maar eens kwalijk die het kwaad in zijn meest afschuwelijke vormen in de ogen heeft gezien, dat hij niet meer in God of in het goede kan geloven. Die heeft ervaren dat er niemand is en niemand spreekt en niemand tussenbeide komt.

Hebben vrijzinnigen een antwoord op het zwijgen van God? Vrijdenkers vind je overal, ook binnen heel traditionele, orthodoxe groeperingen. Zij hebben moeite met de concrete voorstelling van God en met zijn zwijgen. Zij geven ruimte aan gerechtvaardigde vragen van de mens van nu.

Er zijn er twee die actueel zijn en die ik onder uw aandacht wil brengen. Dat is de Frans-joodse filosoof Marc-Alain Ouaknin (1957) en de Tjechische priester Tomas Halik (1948).

De eerste zegt: ‘Ik ben een atheïstische rabbijn, God zij dank.’ ‘Ik richt mij tot elke stroming, binnen en buiten het jodendom’.  Zijn werk is al in dertig verschillende talen te lezen, ook in het Nederlands, maar zonder merkbare invloed. Dat is jammer voor een filosoof die al wel de Spinoza van de 21e eeuw is genoemd. De remonstrantse theoloog Christiane Berkvens-Stevelinck, emeritus hoogleraar Europese cultuur, heeft een leesbare introductie van zo’n 100 pagina’s geschreven onder de titel Marc-Alain Ouaknin. De joodse gids van deze tijd.  Hij heeft gisteren gesproken op de landelijke beraadsdag van de remonstranten in de Vrijburgh. Vertrekpunt voor hem is het besef dat een mens zich onderscheidt van andere levende wezens doordat hij het vermogen heeft vragen te stellen.  Wat gebeurt er en waarom is dat? Door steeds ‘waarom’ te vragen voorkom je dat je levensweg een gebaand pad wordt waarop alles toch is beslist. Goede vragen blijven in je opkomen zolang je je kunt verwonderen en niets als vanzelfsprekend wordt beschouwd. De joodse traditie is er een van vragen stellen. Een antwoord dat je krijgt, is altijd voorlopig en de opmaat naar een volgende vraag. Een vast antwoord zou de horizon alleen maar beperken. Het joodse vragen is noch een discussie noch een streven naar dogma’s.  Naar consensus wordt niet gestreefd. Iedere gedachte roept de vraag op of het ook niet anders kan zijn.  Bij veel religies is het probleem dat zij een huwelijk zijn aangegaan met het dogma. Dan krijgen als heilig beschouwde teksten slechts één vaststaande betekenis en worden andere interpretaties verworpen. De Talmoed daarentegen is een en al vrije interpretatie, gebaseerd op de dialoog, het spel van vraag en tegenvraag.  Voor Ouaknin is het duidelijk: weg met alle dogma’s.  Als je een tekst ‘streelt’ en niet wilt be-grijpen, dan gaat ze werkelijk open in het hart van de lezer.

Ouaknin noemt zich een atheïstische rabbijn. De vraag of God bestaat is passé omdat de vraag in een verkeerde taal wordt gesteld, namelijk die van de logica en de kennis. De goede taal speelt zich af in een andere dimensie, die van verhalen, de verbeelding en de kunst.  God is de Onzegbare, hoger, dieper en diverser dan wij kunnen bedenken. God is een ‘misschien’,  een hypothese, niet te vangen in een woord zoals ‘god’.  God ìs niet, maar God spreekt. Hij antwoordt op onrecht met de woorden van de thora. Wat God doet is belangrijker dan wie of wat God is. God geeft iedereen de vrijheid om zijn eigen contact met het goddelijke te ervaren. Een God die zo onmetelijk groot is en zo onzegbaar, dat hij mijn verstand te boven gaat. Maar wel een God die men persoonlijk kan benaderen, omdat er talloze aanvliegroutes zijn.

Tomas Halik, de tweede schrijver die ik onder aandacht wil brengen, heeft een geheel andere achtergrond. Hij is bijna tien jaar ouder en een van de belangrijkste Oost-Europese intellectuelen.  Halik woont in Tsjechië, het meest atheïstische land van Europa. Ten tijde van het communisme werd hij in het geheim tot rooms-katholiek priester gewijd. Nadien was hij vertrouweling van president Vaclav Havel. In 2007 publiceerde hij Geduld met God. Twijfel als brug tussen geloven en niet-geloven’. In 2011 ontving hij voor dit werk de Europese prijs voor het beste theologische boek van dat jaar. Wat hij gemeen heeft met Ouaknin is dat hij de dialoog aangaat met de goeddeels geseculariseerde buitenwereld. Waarin hij verschilt van de rabbijn: hij noemt zich niet een atheïstisch priester. De zin waarmee zijn boek opent, luidt: ‘Op veel punten ben ik het met atheïsten eens, vaak op bijna ieder punt – behalve in hun geloof dat God niet bestaat’.
In  Geduld met God vinden we het resultaat van Halíks pogen om de juiste toon te treffen in de ontmoeting met de a-religieuze ander. Hij laat zich daarbij inspireren door de bijbelse figuur van Zacheüs. Deze klom in een boom toen Jezus voorbij kwam, omringd door een grote menigte (Lucas 19). Mensen als hij zijn “zoekend en nieuwsgierig, maar willen ook afstand en overzicht houden”. Halík wil de mens die zich onzeker in de boom verschuilt, omarmen en mee nemen in de zoektocht naar wie God is. Want daar is de auteur zeker van: God moet je blijven zoeken. Je moet geduld met hem hebben. Wat dat dan oplevert?  Een geloof dat er is voor ‘de momenten van schemering, van meerduidigheid van het leven en de wereld, maar ook voor de nacht en de winter van Gods zwijgen’.  Halik is net als Ouaknin getroffen door het zwijgen van God. Juist vanwege die ervaring neemt Halík de ongelovige serieus. Hij merkt op dat atheïsten goede redenen hebben om niet te geloven: de pijn van onbeantwoorde vragen, het mysterie van het kwaad of de corrupte uitwerking van religie vormt de ‘heilige grond’ waar zij op staan. “Met atheïsten van een bepaalde soort kan ik het gevoel van Gods afwezigheid in de wereld mee ervaren. Hun interpretatie van dit gevoel gaat me echter te snel – ze lijkt me een uiting van ongeduld.”  Dus is geduld de oplossing. Niet alleen voor het zoeken van God, maar ook om het fanatisme in de samenleving tegen te gaan.  Voor Ouaknin is God degene die niet bestaan kan. ‘Wanneer we de recente ontwikkelingen van de geschiedenis in aanmerking nemen, komt Gods stilzwijgen aan menige Jood onbegrijpelijk, ja zelfs schandalig voor’.  God is niet, maar spreekt wel, en dat doet God in onze antwoorden op de thora, de oproep tot gerechtigheid. We naderen daarmee Klaas Hendrikse met zijn ‘God bestaat niet, maar gebeurt tussen mensen’.

Twee denkers vanuit verschillende hoek die ons verder helpen in het denken over God. De één steekt in op het niet-bestaan van God, de ander op een met geduld zoeken van God. De auteurs bieden daarmee ieder een andere toegang tot dat wat een probleem is geworden voor mensen die graag willen geloven in iets, in iemand, maar die niet voorbij gaan aan de vele haken en ogen.

Maar wat moet je met al die bijbelverhalen waarin bij herhaling staat ‘En God sprak’? Waarom sprak God vroeger zo vaak en zo duidelijk en nu nooit meer? Als er in een bijbelverhaal staat : ‘God sprak’, wordt er dus niet bedoeld – zo lezen we bij deze auteurs – dat Gods stem luid en duidelijk uit de hemel heeft geklonken. De auteurs tonen aan dat formuleringen zoals ‘God sprak’ conclusies waren van een lang en complex proces waarbij het volk, koningen of kroniekschrijvers erachter probeerden te komen of een boodschap werkelijk van goddelijke oorsprong was. De conclusie werd uitgesproken door een profeet. Voordat de bijbelverteller die conclusie kon trekken, God kan laten spreken, is er sprake geweest van een zwijgen, een stilte, van nood en een gebrek aan antwoord. Zoals ook Jakob daar in het donker zijn eenzame gevecht levert met iemand die niets zegt. Jakob is sterk, is niet klein te krijgen. Als het daglicht terugkeert moet zijn kwelgeest, zijn tegenstrever opgeven en vraagt aan Jakob: ‘laat mij gaan’. Kan je gezegend worden door dat wat je pijn heeft gedaan, je verdriet heeft gegeven, je angstig maakt? Of is het dat je sterker wordt, volwassener, door de moeilijkheden van het leven?

Het goddelijk zwijgen is niet gelijk aan goddelijke afwezigheid. Iemand die zwijgt, kan heel aanwezig zijn! Een zwijgende God is een aanwezige God die ons de ruimte geeft om te zoeken, die niet spreekt maar luistert, er is en die zich openbaart in je persoonlijke worsteling, in de nacht, in het donker van het leven.
De vraag is of het zwijgen van God in onze tijd wel het werkelijke probleem is. Moeten gelovigen zich niet actiever engageren tegen bijvoorbeeld onrecht, liever dan te klagen dan dat God zwijgt? De Franse katholieke hoogleraar Charles Wackenheim zegt:  “Als God zwijgt moeten mensen spreken.”
Wij zijn het die God laten spreken, die Hem kunnen laten gebeuren.

Amen

ds. Peter Korver