Overweging 12 mei 2013

Ondogmatisch of vrijzinnig geloven

Toelichting bij tekst en thema.
Misschien overkomt het u ook weleens: jezelf vastleggen op een voornemen en je pas naderhand realiseren welke consequenties dat heeft, anders dan in eerste instantie gedacht. Dat is deze ochtend het geval. De redactie van de “Akkolade” , ons berichtenblad, heeft een perfect beleid bedacht bij het enthousiasmeren voor de kerkgang. Van de voorganger wordt vriendelijk gevraagd om in een paar regels aan te geven wat de thematiek zal zijn van de kerkdienst op de aangegeven datum. Dat heb ik voor deze zondag gedaan n.a.v. een artikel dat ik enige tijd geleden had gelezen en op de bewaarstapel had gelegd om nog eens te gebruiken. Gezien de gesprekken over beleid in de Kapel en de vergezichten die we zagen, leek het mij zinvol om het “Vrijzinnig manifest” ( zo heet bedoeld artikel) nu ter hand te nemen. En dat schreef ik dus in de “Akkolade” van de maand mei. Dat als uitgangspunt, maar dan blijkt dat het manifest een uitnodiging is om er vooral “om heen te lezen”. En dat werden delen van de volgende oudere en nieuwere uitgaven: Klaas Hendrikses Geloven in een God die niet bestaat, het boek Een godvergeten crisis van Matthias Smalbrugge en de biografie over leven en werk van pater Jan van Kilsdonk, Raadsman in delicate zaken. Het is al met al een soort caleidoscoop geworden, waar ik een relativerende Bijbeltekst van de Prediker (hoofdstuk 9 vers 7 t/m 12) en een kort verhaal van Toon Tellegen, Denk je dat we ooit afgelopen zijn?, naast heb gezet. En zoals beloofd, wil ik ook u graag betrekken in het nadenken over een vrijzinnige geloofsovertuiging of – zoals de doopsgezinden onder ons het graag duiden – een ondogmatisch geloven.

Overdenking.
Vanmorgen dus samen nadenken over vrijzinnig of ondogmatisch geloven naar aanleiding van een “Vrijzinnig Manifest”. Het manifest is een geschriftje van zeven vrijzinnige mensen die allemaal actief zijn in een geloofsgemeenschap en de mening delen dat woord en begrip “vrijzinnigheid” een herformulering behoeft. Dat doen ze door vijf stellingen te poneren. Alleen de centrale stelling leg ik u voor:

Gemeenschappelijk gedeelde geloofsbeleving is onmisbaar voor de ontwikkeling van de inhoud van geloven.

De opstellers zeggen hiermee dat de inhoud van geloven alleen groei of ontwikkeling heeft als de geloofsbeleving gemeenschappelijk gedeeld wordt. Zij hebben er geen fiducie in dat je in je eentje kunt groeien naar en in geloof. Geloven en groeien in geloof kan naar hun mening alleen als je dat binnen een gemeenschap beleeft en deelt. En dat is een boeiende en uitdagende stelling in een tijd waarin de traditionele dragers van het samen geloven (dus de kerken) krimpen tot een bestaansminimum, waarin individualisme norm geworden is en waarin de oude vrijzinnigheid aan alle kanten gepasseerd wordt door geloof in een God die niet (meer) bestaat, in ietsisme, nietssisme en ook narcisme

Kunt u zich voorstellen dat ik het deze week steeds warmer ging krijgen bij de gedachte aan de thema en overdenking van vanmorgen? Het is tegelijk ook wel een uitdaging, niet alleen voor deze ochtend, om mij met u te verdiepen in wat ik zie als basisvragen van geloof. Daarover zal ik zelf een en ander zeggen, maar het is ook belangrijk om van elkaar te horen. Drie vragen: In de eerste plaats over “geloof”, vervolgens over “geloofsontwikkeling” en als derde over “gemeenschappelijk” geloven. Als start van elk onderwerp afzonderlijk wil ik graag beginnen met een vraag aan u.

Geloof(sbeleving):
Welke inhoud heeft dit woord voor u?

Volgens Van Dale is geloof een vast vertrouwen op God en Gods woord, overtuigd zijn van Gods bestaan en van de waarheid van de goddelijke openbaring. Sinds (in elk geval) de vrijzinnigheid vraagtekens gezet heeft bij woorden als openbaring en waarheid is Van Dales verklaring nauwelijks meer bruikbaar. Neem het woord “openbaring”. Vrijwel wekelijks zie ik het op de kamer van een visboer in Zandvoort: Franks haring, een openbaring”. Het woord geloof is teveel axioma, opvatting, theorie, een leer. Als je de leer kent, hoeft dat nog helemaal niet te betekenen dat je gelovig leeft. Een van onze vrijzinnige voorgangers, Albert Schweitzer heeft gezegd: Je wordt niet een auto, al sta je eindeloos in een garage. Geloven begint bij mensen. Vanmorgen is wat mij betreft dan ook niet de abstractie “geloof” aan de orde, maar wel het antwoord op de vraag wat u gelooft en wat ik geloof en wat dat met ons doet in de manier waarop we leven, hoe we omgaan met wat er gebeurt, de keuzes die we maken enz.

Dan kan het alvast geen kwaad om ons te laten leren door de Prediker. Tegenover alle zekerheden, waarschuwingen en visioenen van profeten, tegenover al die pelgrims die dromen, was er ooit een man in de synagoge die neuriet: ijl en ijdel, heel die boodschap is ijdel. IJdeltuiterij en onbaatzuchtigheid ze zijn beide flut. Hij is de drager van twee menselijke ervaringen: het leven leidt tot niets en het leven is soms fijn. En beide ziet de Eeuwige allang met welbehagen aan.

De Prediker toont mij het bewijs dat gelovig leven betekent de moed hebben om te leven met wat niet gekend kan worden. Hij is als de bezoeker van een vergadering, waar de aanwezigen de spreker aan de lippen hangen, en waar hij de wenkbrauwen fronst, wat mompelt en er het zijne van denkt en af en toe zegt: kom, kom… Heb de moed om te leven met een God wiens bestaan niet bewezen kan worden. Van wie je wel kunt zeggen: Ik geloof in God, maar niet: Ik geloof dat God bestaat of hetzelfde omgekeerd: Ik geloof in een God die niet bestaat. Als je zeker weet dat God bestaat, hoef je niet in hem te geloven; als je gelooft in God is het overbodig er aan toe te voegen dat Hij bestaat. Als je gelooft, bestaat Hij in je gelovige verbeelding.

Geloven is een kwestie van vertrouwen. En met het noemen van dat woord ben ik bij het tweede blokje van deze ochtend gekomen. Vertrouwen of geloven in jezelf, de ander, God, is alleen vol te houden op basis van ervaring. Ervaring leert dat andere mensen zijn als jijzelf, met dezelfde neigingen, tekorten, onberekenbaarheid enz. Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten. En het is moeilijk om je over te geven, de durf, de moed te hebben je aan de ander toe te vertrouwen zonder de zekerheid dat die ander je niet zal laten vallen. Voor zoveel vertrouwen is het nodig dat je elkaar goed kent. Ziedaar de vicieuze cirkel: om elkaar te vertrouwen moet je elkaar goed kennen, om elkaar goed te leren kennen, moet je elkaar vertrouwen. Vertrouwen bouw je gaandeweg op. Zo vult zich in de loop van je leven de rugzak met ervaring.

Geloofsontwikkeling.
Hoe heeft zich dat bij u voltrokken en is dat nog steeds gaande?

In dagblad Trouw las ik deze uitspraak: Iedereen kan leren zingen, dat geldt ook voor geloof. Geloven is net zoiets als zingen of wijndrinken. Iedereen kan het leren en net als bij fitness moet je veel oefenen. Een vroegere klasgenoot van de middelbare school, Henk Kuindersma, is nu docent godsdienstpedagogiek aan de theologie-opleiding van de Noordelijke Hogeschool. In het meest recente nummer van Praktische Theologie schrijft hij: Geloven is voor iedereen een “learning thing”. Het zijn de moeders en de vaders, de oma’s en de opa’s, de tantes, de ooms, de vrienden van de vaders en de moeders, de verhalenboom van de DG-kerk, de zondagsschool van de PKN, het verteluurtje van de vrijzinnigen, de bijbellessen op de openbare scholen enz. die in de fase van de eerste naïviteit kinderen helpen bij het onbevangen omgaan met een gelovige werkelijkheid (hoe letterlijk de kinderen het ook nemen). Met het vertellen van gelovige verhalen leveren we materiaal aan voor een leven in gelovig vertrouwen. Met een eerste vulling van de geloofsrugzak kunnen jonge mensen doorgroeien naar een fase waarin de verhalen en symbolen steeds figuurlijker verstaan worden. En in feite zijn de kleinste leefeenheden van het gezinsverband de plek waar een gemeenschap bestaat van wederkerigheid in groei. Want de oudere die het kind begeleidt, wordt door het kind gestimuleerd in eigen geloofsgroei. Geloofsverhalen horen het kind uit te dagen tot vragen. En die vragen dagen de oudere uit tot eigen authentieke antwoorden. Met name als de fase aanbreekt van het begrijpen dat een verhaal niet echt gebeurd hoeft te zijn om toch een waarheid te bevatten, komt het er op aan. En wat is het dan belangrijk dat de oudere er ook voor gaat zitten. Neem gerust een time-out als er vragen op u afkomen over dood, onrecht, dank, trots en verwondering.

En dat zijn dan de momenten dat je zelf als volwassenen behoefte hebt aan een platform waar je ook zelf met je vragen aan bod kunt komen. Waarmee we belanden bij punt drie van de lezing:

Gemeenschappelijk gedeelde geloofsbeleving.
Hebben we elkaar nodig om ons geloofsleven te onderhouden en verrijken?
En kunnen we ons dan vinden in wat een a-theistische predikant schrijft over kerkzijn in het laatste hoofdstuk van zijn boek: De kerk als eetcafe.
(Klaas Hendrikse, Geloven in een God die niet bestaat, blz. 198 t/m 200)

Ds. Sybout van der Meer