Overweging 10 februari 2013

10 februari 2013 – De werkelijkheid van alledag en de droom van ooit

Vandaag twee bijbelteksten. Twee verhalen die wel haast symbolisch onze eigen hedendaagse werkelijkheid weerspiegelen. Het eerste is ook op 20 januari j.l. gelezen tijdens de doopdienst. Het vertelt ons over een mens, die zich als een min-mannetje laat kennen. Hij belazert zijn broer en zijn oude vader. En na die daad rest hem alleen nog het redden van zijn eigen vege lijf. Vandaag lees ik dit bijbelfragment vanwege thema’s die in de overdenking aan de orde zullen zijn: het kwaad dat de ene mens de ander aandoet. En op dat kwaad volgt straf, boete. Maar daarnaast klinkt ook een goddelijk woord: En toch laat ik je niet in de steek.

Het korte verhaal uit het evangelie van Marcus vertelt over een ander kwaad, nl. natuurgeweld en de angst die dat oproept bij mensen, in dit geval de discipelen van Jezus. Het kwaad in de wereld dat we ondergaan, maar niet op menselijk handelen teruggebracht kan worden. En dat heeft te maken met de herinnering aan de dagen van zestig jaar geleden in Zeeland. Natuurgeweld, storm, gevaar.
Twee verhalen. Wel haast symbolisch voor onze werkelijkheid. Eigen gedrag gespiegeld en de dramatiek van onmacht. En in beide verhalen schuilt ook humor. En humor relativeert ernst. In het gedicht “Ziekenbezoek”van Judith Herzberg beluister ik beide.
Mijn vader had een uur lang zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik: nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet, je moet het maar eens proberen…

lezing

Genesis, hoofdstuk 28 vers 10 – 15
“De Jacobsladder”

Het evangelie naar Marcus, hoofdstuk 4 vers 35 – 41
“Slapen in de storm”

OVERDENKING
Zeven jaar geleden bezocht ik de Indiase stad Madras (Chennay). De hulpwerkorganisatie Habitat for Humanity heeft daar enkele projecten, die samen met Hindoes en Christenen worden uitgevoerd. Zo ook voor vissers die hun broodwinning aan de kust hebben. Een non van het Heilig Hart bracht mij bij een van de families die met Habitat-geld zelf een fatsoenlijk huisje kan gaan bouwen. In het krotje dat ze toen nog bewoonden, hoorde ik het verhaal van een gezin, dat tot op de dag van vandaag het verhaal is van alle vissersgezinnen aan de rand van deze miljoenenstad. De stadsregering heeft een brede strook grond langs de kust van de Golf van Bengalen verpacht aan handelaren in onroerend goed, projectontwikkelaars. Van een van hen huurt de familie Kanyakumari een paar vierkante meters tegen een woekerprijs. En op dat stukje grond staat hun hutje van gejutte palen met golfplaten als dak, karton, plastic en biezen als wanden. Dat is het onderkomen van moeder en vader en drie kindertjes. Om de huur voor de meters grond op te brengen, moet vader Kanyakumari steeds met afgaand tij de zee op. In een boot die hij huurt van de grondhandelaar. De benzine voor de aanhangmotor moet hij kopen bij de grondhandelaar. Als hij ’s morgens vroeg met vis terug komt, brengt hij deze naar de grondhandelaar. Die heeft namelijk ook de vishandel in handen en bepaalt dus de prijs voor de gevangen vis. Dat is de werkelijkheid van visser Kanyakumari. Hij en zijn gezin vormen het pars pro toto voor de duizenden rondom de Golf van Bengalen. En voor even zoveel duizenden was dit lijden ineens voorbij. De woeste zee verzwolgmens en armoede.

In deze inleiding heb ik twee vormen van kwaad aan u voorgesteld. Ten eerste: Kwaad als onrecht, iets dat in strijd is met het gevoel van rechtvaardigheid tussen mensen. Hoe kan de ene mens de ander zoveel onrecht aandoen? In het geval van de grondhandelaar en de visser Kanyakumari is het kwaad als onrecht terug te brengen tot een intermenselijke verhouding. Het kwaad als onrecht dat boos maakt, zoals elke misstand gevoelens van boosheid oproept.
Het tweede kwaad is van een totaal andere orde. Het is het kwaad dat als een onontkoombaar noodlot over ons komt. Het kent verschillende verschijningsvormen Soms sluipend als een slang die kwaadaardig, listig de tijd neemt om dichterbij de prooi te komen om dan op een moment het gif, boosaardig als de dood toe te dienen. Zo voelt dat bij een ziekte die sluimerend in ons lichaam huist en ineens als een levensbedreigend kwaad manifest wordt. In het geval van een natuurramp, een storm, een aardbeving een tsunami is het ook het kwaad dat we als noodlottig deel zien van ons menselijk bestaan. En in sommige kringen durft men te stellen dat er een God is die dit als een vergelding voor persoonlijk kwaad aanricht. Denk aan de herdenking afgelopen weekend in Oude Tonge.

Twee keer kwaad. En we weten er eigenlijk geen raad mee. We beschrijven of lezen beide vormen van kwaad in het ochtend- en avondblad, we maken programma’s voor het radio- en televisie journaal en voor netwerk en gezamenlijk kijken we ernaar en we weten ons geen raad. Het liefst zou ik een nu een uur zwijgen. Toen ik vijftien jaar geleden enige tijd gastpredikant in de Verenigde Staten van Amerika was, oefende ik het een aantal keren in bijeenkomsten van het Genootschap der Vrienden, de Quakers. Een rudiment daarvan vind je terug tijdens het meditatief orgelspel na de overdenking. Hier dan wel geen stilte, maar klanken in plaats van woorden. En toch de ruimte om stil te worden in jezelf. En vooral om ruimte te scheppen voor de Geest van het Eeuwige.

Vanmorgen besloot ik om wel woorden te gebruiken, wetend dat ze eerder uitdrukking van onmacht en niet weten zijn dan van antwoord op levensvragen rond het kwaad in de wereld. Gelukkig hoeft mijn onmacht niet het laatste woord te hebben. U zou wel heel leeg naar huis terugkeren. Nee, als kleine mensen hebben we een groot boek vol oer-verhalen. Verhalen als spiegels voor onze werkelijkheid. Twee las ik u daar uit voor. Het ene verhaal vertelt over een man die wist van kwaad, want hij had het bewust toegepast om er zelf beter van te worden ten koste van zijn naaste, zijn broer nota bene. Hij bedroog zijn vader en zijn broer. En omdat hij wist dat kwaad en straf nauw verbonden zijn, vluchtte hij naar de familie ver weg. En daar zal de bedrieger zelf bedrogen uitkomen, bij herhaling. In een nachtschildering wordt uitgebeeld hoe God – wie anders? – zijn engelen het kwaad van Jacob als nood, als schaamte, als schuld, als verdriet en als angst bij zich laat brengen. En als dan alles bij God gebracht is, wat blijft er dan over van deze mens, die het kwaad van alle mensen van alle tijden laat zien? Hij hoort een stem, die zegt, zie ik ben met je. Ik laat je niet in de steek, waar je ook gaat.
Stel je nou eens voor dat Jacob meer op ons lijkt dan wij wel zouden willen? We vergelijken ons liever niet met zo’n min mannetje. God heeft daar kennelijk een andere kijk op. In het hele verhaal wordt niets van Jacobs verdrag weggepoetst, het komt zelfs nadrukkelijk aan het licht. Elke gedraging, elk gevoel, elke gedachte, elke handeling wordt door een engel opgetild en voor God gebracht. En dan zegt God toch: Jacob, ik ben met je. God gelooft tegen alle feiten van zijn leven tot dan toe in dat hij anders kan. Het kwaad wordt niet verdoezeld, maar God legt er een uitdaging naast. Er is dus om misverstanden te voorkomen, geen sprake van een softe aanpak. Jacob ontloopt zijn straf in de vorm van jarenlange verbanning niet. En toch is God in dit aangrijpende schilderij van schuld en boete degene die de mens met alle kwaad niet afschrijft.

Vorig jaar zag ik een uitzending over het gruwelkamp Auschwitz. In een interview met een joodse overlevende, al een beetje oud, in de tachtig, zei deze: “Als ik zou moeten geloven dat de mens alleen maar slecht is, vind ik het zo hopeloos worden, ik verkies te denken dat mensen wel deugen, dat vind ik een creatiever uitgangspunt” Of hij wel eens in Jad Vashem was geweest, vroeg de interviewer, ook een joodse man, veel jonger, maar oud genoeg om dit te mogen vragen, – Jad Vashem is het gedachtenishuis aan de Shoa, in Jeruzalem, waar alle feiten zijn gedocumenteerd – ja, daar was hij geweest, vele malen, hij vond Jad Vashem een monument van hoop en overlevingskracht: je ziet al dat verleden onder ogen en je zegt “en nu leven”. Dat moet je maar kunnen, zei de interviewer. Dat moet je elkaar leren, zei de ondervraagde en toen met een gebaar van, ach hoor mij: ach het is onredelijk optimisme, maar ik heb het wel.

Dat heeft de bijbel ook, dat tegen de stroom in denken, dat en toch, die keuze voor het optimisme. In de bijbel is God de woordvoerder van dat “en toch” denken, van dat onredelijke optimisme. De bijbel begint er mee te vertellen dat God bedacht: nu laat ons mensen maken naar ons beeld, die op ons lijken.” En als Jacob, die elckerlyc helemaal niet meer op God lijkt, krijgt hij een spiegel voor zijn neus.

De beste look-a-like was volgens het evangelie en de brieven aan de eerste christengemeenten rond de Middellandse Zee, Jezus, in Bethlehem, geboren, vluchtelingenkind uit Egypte, uitgeweken met zijn ouders naar Nazareth. Zijn levensverhaal neemt het op tegen het kwaad dat mensen elkaar aan doen, maar ook tegen het noodlot dat we zo graag op de rekening van God zouden willen zetten, want dan kunnen we tenminste iemand aanklagen. Hij gaat tekeer tegen onrecht, tegen onbarmhartigheid, tegen misbruik van macht, maar ook tegen ziekte en dood. En ook tegen de elementen die een storm ontketenen, hij loopt over stormachtig water zijn angsthazerige vrienden tegemoet. En waar zijn vrienden denken dat ze kopje onder gaan, ligt hij rustig te pitten. En als ze hem wakker maken, verwijt hij hen nota bene dat ze bangerds zijn en geen vertrouwen hebben.

Het zou mij niet verbazen dat de evangelisten het zelf net zo moeilijk hadden met dit verhaal als wij nu. Latere bijbeluitleggers hebben zich in vindingrijke gedachten geuit over de betekenis van wat er staat. In het bootje van de Oecumene zie je een uitleg nog altijd gevisualiseerd: het beeld is dat van de kerk in de wereld, die als een schip in zee door de golven, door de vervolgingen en verzoekingen geteisterd wordt. Jezus lijkt te slapen, maar hij wordt door de gebeden van de heiligen wakker gemaakt. Hij laat de zee en de winden stil zijn en schenkt de zijnen rust. Een oudere uitleg ziet de zee als het gebied waar de demonische machten huizen. Zij zijn het die de grote onstuimigheid van de storm ontketenen. En in dit beeld wordt Jezus geschetst als degene die met autoriteit en overmacht de aanval van de boze kan pareren.

De critici hebben het verhaal gelezen als een aanklacht tegen God. In de persoon van Jezus ligt hij werkeloos te slapen in plaats van zich de nood van de mensen aan te trekken. Deze aanklacht gaat uit van de visie dat wij te maken hebben met een God, waar wij met huid en haar aan zijn overgeleverd. Slachtoffers van Gods willekeur zouden wij zijn. Of als het volgens bepaalde geloofsstromingen geen willekeur is, dan zijn de rampen van de zee en de aarde het gevolg van schuld en straf.

Met de lezing en uitleg van het Jacob verhaal heb ik willen zeggen, dat ik niet geloof in Gods willekeur. En zo wil ik ook het evangelie verhaal over de storm niet lezen. Hoe dan wel? Mij spreekt het meest aan de gedachte die in het Johannesevangelie over het begrip zee naar voren komt. Daar is zee het symbool voor het beeld van onze totale levenssituatie: de verschijnings-vormen van de zee zijn die van ons leven, soms vlak, soms golvend, soms onstuimig. En de levenskunst die wij moeten leren, is het herkennen en erkennen van de vele en verschillende omstandigheden van onze eigen levenszee. Veel van die uiterlijke fysieke vormen waarin de zee zich voordoet verschijnen en verdwijnen zonder dat wij daar iets aan toe of af kunnen doen. Waar het op aan komt is hoe wij reageren op de werkelijkheid die zich aan ons bestaan opdringt.

Jezus wist van het kwaad dat in de wereld heerst. De elementen die als een monster de voortgaande schepping waarin hemel en aarde een zullen zijn, probeert te keren. De gedragingen van mensen die de een minder achten dan zich zelf en het onrecht laten voort bestaan. Jezus ontkende het kwaad niet, hij kende zelf de woede om wat als onrecht gevoeld wordt en wat onrecht is, hij deelde in het verdriet en de zorg van mensen, in de bijna ondragelijke spanning bij het ziekteverloop, in de peilloze klacht bij het verlies van een geliefde. Hij wist het niet alleen, hij onderging het zelf, het lijfelijk lijden, de immense verlatenheid, helemaal alleen-zijn, de dood. Hij benoemde het zelfs als een door god verlaten gevoel. Zo menselijk nabij deelde hij ons kwetsbaar bestaan.

En tegen dat verhaal van de menselijke werkelijkheid in zegt een oude joodse man, en toch. Messiaans en toch. Niet de dood en niet een dode is het einde van het verhaal. Begrijpen kan ik het niet, denken kan ik het niet, het gaat mij te boven. Maar het oude boek naast onze dagelijkse portie krant vertelt niet over een hersenschim, maar over een belofte. De God van Jacob zei: ik zal er zijn. Er zal toekomst zijn. En Jezus die zo sprekend op hem leek, zei terwijl het om hem heen stormde: heb vertrouwen. Met die woorden kan ik woensdag beginnen aan de veertig dagen voor Pasen. Met vertrouwen vanwege het “en toch”.
Zo zij het. (ds Sybout van der Meer)