Overweging 10-9-2017

Het thema van deze openingsdienst is Houvast. Daarvoor hebben uw drie voorgangers een maand geleden gekozen. Elk mens zoekt naar houvast in het leven en een geloofsgemeenschap helpt je bij het vinden daarvan. Waar kan je je aan vasthouden als het moeilijk wordt, als het leven verwarrend is, als je een antwoord zoekt op de vragen die het leven aan je stelt? We konden toen niet vermoeden dat het begrip houvast wel een heel bijzondere lading zou krijgen in de dagen rond deze dienst. Onze gedachten gaan uit naar de bewoners van St. Maarten, net als wij inwoners van het Koninkrijk der Nederlanden, die in de twee orkanen letterlijk omver werden geblazen, zich nergens aan vast konden houden en nu alles en alles verloren hebben. Ze hebben van hoog tot laag geen dak meer boven hun hoofd, geen drinkwater, geen voedsel, geen medicijnen, geen elektriciteit, geen telefoon, geen verkeer en wat velen van ons heden ten dage het ergste vinden: geen wifi, geen internet. Er is ook geen veiligheid. Plunderingen en ordeloosheid heersen. Het enige houvast dat ze wel hebben dat is: elkaar.

De zekerheid dat er mensen zijn die van je houden en op wie je kan rekenen is wellicht je eerste en belangrijkste houvast. Je tweede houvast is de zekerheid dat er voldoende voedsel, kleding, beschutting en medische hulp is. Daarna zoek je een existentieel houvast, een antwoord op vragen als: wat is het doel van mijn leven, wat doet er werkelijk toe, wat is goed, wat is kwaad. Wij richten ons vanmorgen vooral op dit laatste. De Russische schrijver Tolstoj schijnt het in één zin te hebben samengevat: wat moeten we doen en hoe moeten we leven?

Nog niet zo lang geleden konden mensen voor hun houvast terecht bij het geloof dat je met veel mensen om je heen deelde. Daar heb ik nog net een stukje van meegemaakt. Als jongetje van 9 jaar moest ik in klas 3 allerlei vragen en antwoorden over de geloofsleer uit mijn hoofd leren. Die stonden in een boekje, de schoolcatechismus. Generaties katholieke kinderen zijn opgegroeid met deze teksten. Vooral de eerste vraag, met bijbehorend antwoord, kent iedere katholiek uit het hoofd:

Vraag 1: Waartoe zijn wij op aarde?
Antwoord: Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.

Ik was nog maar een jaar bezig en toen werd de catechismusles afgeschaft. Het was 1964, de jaren zestig dus en twijfel over de zin van deze didactische aanpak groeide. Maar ondertussen kon je dus wel op iedere belangrijke levensvraag het antwoord gewoon terugvinden in een boekje. Voor de meeste mensen is dat kader inmiddels weggevallen. Dé waarheid, bestaat niet en is ook niet met rationele doordenking te vinden, laat staan uit het hoofd te leren. De meeste kerken hadden en hebben soms nog de pretentie dat ze eenduidige, absolute en altijd geldige, ja eeuwige antwoorden hebben. “Onze antwoorden  zijn voor eens en altijd de enig juiste, want ze zijn de antwoorden van de bijbel en dus van God”. Voor het overgrote deel van de mensen is zo’n houding allesbehalve geloofwaardig meer. Ze zorgt alleen voor gelijkhebberij, geruzie en onverdraagzaamheid. Halverwege de vorige eeuw was het nog zo dat je in je jeugd de antwoorden op alle grote levensvragen hoorde en leerde van je ouders en van de kerk, je leerde ze van buiten, deed belijdenis, je hoorde bij de kerk en je was de rest van je leven bekleed en beschermd door de waarheid. Tegenwoordig zijn de vragen die we stellen eigenlijk belangrijker dan de antwoorden. Immers, het antwoord is toch nooit definitief en kan hoogstens een tijdelijk houvast bieden. De dichter Kopland schreef: Geef mij maar een vraag en geen antwoord. Vrijzinnigen kennen die houding al langer. Hier, bijvoorbeeld in De Kapel, willen we u geen pakket van antwoorden en waarheden aanreiken, maar helpen we elkaar om de vragen die er echt toe doen te formuleren en faciliteren we uw en onze gemeenschappelijke zoektocht naar zin en waarheid. Veel antwoorden hebben een beperkte houdbaarheid en zeker geen eeuwigheidswaarde omdat het leven en de omstandigheden voortdurend veranderen. Antwoorden komen en gaan. De antwoorden waar onze ouders mee konden of kunnen leven, doen dat meestal niet voor ons en onze kinderen zoeken ze weer in een andere richting dan wij. We relativeren en betwijfelen bijna alles en zijn zinzoekers.  Maar waar vinden wij ons houvast? Er zijn twee aspecten waar ik met u naar wil kijken. Het eerste is onze nietigheid als stofje in het heelal, onze tijdelijkheid en betrekkelijkheid die ons onzeker maken en weinig grond onder de voeten lijken te geven. Het tweede is de veelkleurigheid van de waarheid die het moeilijk maakt een vast ankerpunt te hebben.

Over dat eerste, onze nietigheid, wil ik u een lied laten horen van Liesbeth List met de titel: Even eeuwig.  (tekst: Han Kooreneef). Ze realiseert zich dat het leven, haar leven, maar heel relatief is, eigenlijk niets voorstelt binnen het grote geheel en de eeuwigheid, ik ben maar een stofje, of nog kleiner dan een druppel in de oceaan en dat mijn tijd hier op aarde maar vluchtig, maar eventjes is en ik ben tastend op zoek naar enig houvast.

Ik weet dat ik een stofje ben dat meewaait met de winden
Nog kleiner dan een druppel water in de oceaan
Maar mijn handen zoeken door totdat ze houvast zullen vinden
En mijn voeten voelen naar een plek waar ik kan blijven staan

Ik weet niet wie mijn dagen telt, maar alles hier is vluchtig
De eindigheid regeert met harde handen mijn bestaan
En toch wil ik niet verdrinken in een eindeloze ruimte
Ik weiger in een zee van tijd onderuit te gaan

Oh, ik weet dat het voorbij is voordat ik knipper met mijn ogen
Maar ik kan toch niet geboren zijn om zinloos te vergaan
Ook al ben ik dan een bron die op den duur weer op zal drogen
Ik wil met beide benen midden in het leven staan

Het zonlicht kruipt voorzichtig door een kier in de gordijnen
Je doet je ogen open en kijkt me lachend aan
En ik voel me even eeuwig, want de liefde ligt hier bij me
En ik kijk met open ogen naar de zin van mijn bestaan

Wat is voor haar een antwoord op de nietigheid en tijdelijkheid van het leven? Een ander mens, die naast jou wakker wordt en je lachend aankijkt. ‘En ik voel me even eeuwig, want de liefde ligt hier bij me. En ik kijk met open ogen naar de zin van mijn bestaan.’ Het antwoord is: liefde. Dat is de uiteindelijke houvast.

Dan het tweede aspect van houvast, over de veelkleurigheid, de betrekkelijkheid van de waarheid, het ontbreken van dé waarheid. Een oud chassidisch verhaal vertelt ons het volgende. Een oude vrouw zoekt haar rabbi op om hem haar moeilijkheden met haar man voor te leggen. De rabbi luister geduldig en aandachtig. Als ze uitgesproken is en hem vol verwachting aankijkt, verzinkt hij in gepeins. Na enige tijd kijkt hij op en zegt: ‘Vrouw, ik heb goed naar je geluisterd en ik vind dat je gelijk hebt’.

De vrouw voelt zich begrepen en gesteund en gaat opgelucht naar huis waar zij haar man vertelt wat de rabbi heeft gezegd. Dat wordt de man te machtig! Hij snelt naar de rabbi om hem zijn verhaal te vertellen. De rabbi luistert geduldig en aandachtig. Als de man uitgesproken is, verzinkt hij in gepeins. Na enige tijd kijkt hij op en zegt: ‘Man, ik heb goed naar je geluisterd en ik vind dat je gelijk hebt’.

De man voelt zich begrepen en gesteund en gaat opgelucht naar huis. De leerling van de rabbi is van beide gesprekken getuige geweest. Verbaasd zegt hij tegen zijn leermeester: ‘Maar hoe kan dat nu? U zegt tegen de vrouw dat zij gelijk heeft en u zegt tegen de man dat hij gelijk heeft, dat kan toch niet?’ De rabbi luistert aandachtig naar zijn leerling en verzinkt in gepeins. Dan zegt hij: ‘Ik heb goed naar je geluisterd, en jij hebt ook gelijk’. [1]

De rabbi is niet iemand die iedereen maar gelijk geeft, om maar te pleasen, als een weg van de minste weerstand. Hij begrijpt wat ieder beweegt om iets te doen of te vinden. Iedereen heeft vanuit zijn eigen perspectief gelijk. En wij weten: al die grootste-gelijkjes-van-de-wereld bieden geen houvast in een wereld waar je moet samenleven en waar iedereen dus moet inleveren op het eigen gelijk. Dat vraagt om inschikkelijkheid, toegevendheid, een stapje terug willen doen ter wille van een ander, van anderen, om elkaar te vinden. Doe je daarmee afbreuk aan de waarheid, aan een vast houvast? Of maakt het particuliere, het individuele gelijk, dat misschien ook nog objectief, feitelijk waar is, plaats voor een hogere waarheid, die ontstaat als mensen elkaar in respect en liefde vinden?

Elia had het gelijk aan zijn zijde. Hij had gedaan wat God van hem gevraagd had, maar zijn leven was er alleen maar onzeker van geworden. Zijn waarheid was bepaald niet zijn houvast. Voor hem hoefde het niet meer, hij was net zo lief dood. Wat hem redt is dat er een engel in zijn leven komt die hem aanraakt en in een simpel gebaar hem wat te eten geeft. Wat hem redt is dat God aan hem voorbij gaat in het gefluister van een zachte bries. Het lijken de zachte krachten te zijn, die van liefde, van tederheid en van stilte die een mens weer op zijn voeten zet. Vinden we dat ook niet terug in het antwoord dat Jezus geeft als hem gevraagd wordt naar het grootste gebod, naar de grootste waarheid, het grootste houvast? Hij zegt: heb lief, heb God lief, heb je naaste lief. Dat is de grondslag van alles.

Amen.

ds Peter Korver