Overdenking : Onderweg zijn, lopen als in een labyrint

Labyrint 2Wanneer ben je een gelukkig mens? Als je veel geluk hebt, dus dat er veel toevallige gunstige gebeurtenissen op je weg zijn gekomen: je bleef gezond, je kwam de goede personen tegen, je kon goed leren, je mocht geboren worden in een welvarend land en er was geen oorlog, dus allemaal factoren die buiten jou liggen? Of wordt gelukkig zijn uitgemaakt door het zelf bereiken van doelen die je jezelf hebt gesteld: ik wil die opleiding, die titel, dat huis, die partner, die auto en die vakantie? Of ben je gelukkig als je erin slaagt balans in jezelf te vinden, tussen wat je wil en wat realistisch is, vrede met wie je bent en met wat er op je afkomt aan gezondheid en ziekte, aan liefde en eenzaamheid, aan welvaart en schaarste, aan blijdschap en verdriet? Of heeft gelukkig zijn met al deze zaken maar beperkt van doen? Gaat er een dieper verlangen, een wezenlijk verlangen onder? Wat als je niet gezond bent, niet in welstand leeft, als je niet die gewilde baan hebt, als je geen kinderen of kleinkinderen hebt, als je niet die ene partner hebt? In de psalm en in het gedicht van Nijhoff komen we veel tegen dat op een antwoord op deze vragen begint te lijken. We verlangen ernaar ten diepste gekend te zijn door een ander. Gekend te zijn bij onze naam, bij wie we werkelijk zijn, wat we voelen, wat we verlangen, waar we bang van zijn. Gekend te zijn en geborgen zijn. Geborgen bij een ander die van ons houdt, die ons veiligheid geeft. Ja, als je kunt uitroepen: er is iemand die mij echt kent en bij wie ik geborgen ben, ja, dan is al het andere minder belangrijk en kan ik veel tegenslag aan!

We hebben een gedicht van Nijhoff gelezen. Hij heeft de ervaring dat hij gekomen is uit een eerste land. Daar was het goed en daar was hij onbekommerd. Hij kon van binnenuit zingen en zijn weg gaan. Ongemerkt en al zingend is hij terecht gekomen in een volgend land en zonder herinnering aan wat was. En drie keer moet hij daar uitroepen ‘O God!’. Het lijkt of hij verjaagd is uit het paradijs van zijn jeugd, de tijd toen geluk nog heel gewoon was en je niet eens wist wat dat was, gelukkig zijn, omdat je de tegenpool, ongeluk en moeite nog niet echt was tegengekomen. Ineens ontdek je dat je naakt bent en onbeschermd staat in een onveilige wereld. De vanzelfsprekende geborgenheid van je jeugd is zomaar weg. O God, ik wist niet waarheen ik ging, toen ik dit land ben ingegaan…

Al vaker vertrouwden mensen mij toe dat ze de ervaring hebben uit een wereld van licht afkomstig te zijn, waarnaar ze heimwee hebben en waarvan ze verwachten dat ze er eens, na hun dood zullen terugkeren. Is dat soms het derde land waarover Nijhoff spreekt? De dichter wil echter ook dit land, waar hij nu leeft, zingend kunnen verlaten om daarbij te kunnen komen. Is het blijven zingen in de werkelijkheid waarin wij leven niet zo gemakkelijk? Wellicht is het eenvoudiger als je de overtuiging hebt dat hierna een beter land betreden wordt. In de klassiek christelijke levensopvatting was dat zo. Het leven als voorbereiding op het eeuwige leven hierna. Dat relativeerde al dat wat je hier en nu onderging. Voor de meeste mensen is in die gedachte geen troost te vinden, ervan overtuigd dat het met de dood uit en afgelopen is. Het hiernamaals, de hemel, kan geen escape zijn voor een leven dat niet heeft gebracht wat je ervan hoopte. De woorden van het bekende lied ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’ klinken dan vals. Hier is het leven, niet daar. Ernesto Cardenal is een priester uit Nicaragua, een bevrijdingstheoloog die opkwam voor de armen. Hij schreef een beroemd boek over de liefde en dat begint hij met: ‘In de ogen van alle mensen woont een onstilbaar verlangen. In de pupillen van de mensen van alle rassen, inde blikken van kinderen en bejaarden, van moeders en liefhebbende vrouwen, inde ogen van politiemannen en employés, van avonturiers en moordenaars, van dictators en heiligen. In de ogen van hen allen is dezelfde vonk van een onstilbaar verlangen aanwezig, eenzelfde heimelijk vuur, dezelfde diepe afgrond, dezelfde dorst naar geluk en vreugde zonder einde.’ Ieder mens verlangt volgens hem naar uiteindelijk slechts één ding: naar een liefde die hem of haar de moeite waard maakt en die hem het gevoel geeft dat hij uniek is en waardevol. Je leven is vervuld als je in staat bent te beminnen en bemind te worden. De rest is niet echt belangrijk voor je gelukkig zijn. Kan ik van iemand houden en is er iemand die echt van mij houdt? Voor de psalmist is dat uiteindelijk God. Voor de meesten van ons in de eerste plaats: een ander mens, een partner, je kind. En zo zijn we op reis, op zoek naar ware liefde. En om hier je bestemming vinden. Die vind je niet vanzelf. Het is een zoeken en een tasten, een onderweg zijn. Het is dwalen, soms verdwalen, stil staan en toch weer de moed vinden om verder te gaan. Nijhoff verlangt een zingend leven. En daarbij: een ‘leven’ zonder om te zien, zonder herinnering. Kan je je herinneringen beter kwijt raken? Zijn goede herinneringen niet juist een kracht, een bron van vreugde en vitaliteit? Natuurlijk, boze herinneringen kunnen je achtervolgen. Maar wie kan zijn herinneringen teniet doen, wie kan ze domweg vergeten? Hoe harder je je best doet om ze onder water te drukken, hoe krachtiger ze opveren. Je kan ze niet een plek ontzeggen in je leven, je zal ze een plekje moeten geven. Maar vooral niet een te prominente plek waar ze de kans krijgen een eigen leven te leiden.

Wanneer het je lukt om die verschillende kanten aan je leven te aanvaarden en te zien dat ze jou hebben gemaakt wie jij bent, kan God danken en zeggen: zoals het is, is het goed. Is dat niet het derde land waarover Nijhoff het heeft?

De weg naar dat punt is niet altijd eenvoudig en loopt niet in een rechte lijn. Het is de geestelijke weg die je te gaan hebt. Het is rechtdoor op een doel willen afgaan, gedwongen worden om linksom te gaan en dan weer eens rechtsom, dan eens om op de plaats rust te nemen, tasten, vast zitten, hollen, stilstaan. Dat besef heeft in veel culturen en tijden een verbeelding gevonden in het labyrint.

Kijkt u eens naar de afbeeldingen op uw liturgie. Het labyrint als een symbool voor onze weg door het leven en voor het zoeken naar datgene wat het middelpunt van ons leven uitmaakt.

Op het tweede plaatje zijn we op Kreta. De samenleving heeft daar een gedrocht, een stiermens, de minotaurus voortgebracht en heeft hem vervolgens ver weg willen stoppen, in de duistere diepten van het labyrint, zodat hij ons niet meer kan bereiken. Maar hij spookt en hij dreigt en blijft een gevaar. Hij is ongezien toch het middelpunt van het leven. De held Theseus is zo moedig om de confrontatie aan te gaan. Daarvoor moet hij naar binnen, de ingewikkelde weg gaan om bij datgene te komen dat verontrust, dat bang maakt. Daarvoor is moed nodig. Je moet de strijd aangaan. Die innerlijke strijd is hier gaande. Buiten het labyrint wachten twee vrouwen op de afloop. Ze leven mee. De ene is Ariadne, ze houdt veel van Theseus, heeft hem een draad gegeven, waarmee hij de weg terug zal kunnen vinden. Maar ondertussen: hij zal het zelf moeten doen. Hij is de enige die de strijd kan aangaan!

De grote foto neemt ons mee naar de Notre Dame, de kathedraal van Chartres, een vroeg-gotische, de beroemdste van Frankrijk. Gelegen op een heuvel toornt hij sinds 1200 boven zijn omgeving uit. De kathedraal dankt haar faam vooral aan haar gebrandschilderde ramen, waardoor de gloed van het blauwe Chartreslicht schijnt. Wie vanwege de leeftijd en vanwege alle bouwlijnen die naar de hemel wijzen verwacht dat de kerk een bolwerk van traditionalisme en orthodoxie zal zijn, kan aangenaam verrast worden. In het centrum van dit enorme gebouw ligt al acht eeuwen een labyrint, symbool voor de zoektocht van de mens naar zijn bestemming. Je kunt hem lopen, samen met andere pelgrims om hem daarmee fysiek te beleven. De buitenste omtrek symboliseert de geboorte en het leven binnentredend ondergaan wij onze zoektocht die vaak een dwaaltocht is op weg naar ons centrum, de plek van onze wedergeboorte.

Is de kathedraal van Chartres geen monument van vrijzinnig geloven? Enerzijds verbindt het met de eeuwenoude geloofstraditie en valt er een hemels licht over de bezoekers. Anderzijds word je in het centrum uitgenodigd om je eigen unieke zoektocht te maken, je eigen centrum te vinden. Lopend al dan niet op blote voeten op de lijnen van het labyrint zoek je je weg en balanceer je om er niet buiten te raken. Wie in het hart komt met de zes nissen waar jij je ervaringen op mag bergen, is voor het moment bevrijd en bij zichzelf. Hij heeft innerlijk zingend en bevrijd van herinneringen zijn derde land bereikt. Voor even. Ziet u op het eerste plaatje de pelgrim tevreden zijn? Maar ook kijkt hij alweer over de lijnen heen naar buiten, verlangend, nieuwsgierig om nieuwe ervaringen op te doen. Wellicht komt hij hier nog eens terug, om opnieuw en met andere ervaringen zijn weg te zoeken.

Heeft geluk, vrede vinden, niet te maken met het moment, later in je leven, na verdriet en zegen, van zoeken en verdwalen, van beminnen en eenzaam zijn, hardop te kunnen zeggen: zoals het is, zo is het goed. ‘Ik ben ik. En zoals ik ben, is het goed. Met alles wat er onderweg heb meegenomen en in mijn rugzakje zit. De geluksmomenten, de goede herinneringen, de succesjes, maar ook mijn teleurstellingen, mislukkingen, mijn zorgen en verdriet.  Dit alles ben ik en dat accepteer ik.’

Om het met Desiderius Erasmus, de grote humanist en mensenkenner, te zeggen: ‘De kern van het geluk is: degene willen zijn die je bent’.

Dat inzicht, die vrede wens ik ieder van ons toe.

Amen.