Over God – ‘Voorbijgegaan maar niet voorbij’

Edvard MunchHeeft u ze al gezien, die posters op NS-stations in een aantal grotere steden? Mijn God laat me zelf denken, Mijn God trouwt ook homo’s, Mijn God doet niet aan dogma’s. Afgelopen week startte een grote landelijke campagne van de remonstranten om vrienden te werven. Wat drukt zo’n kreet als Mijn God laat me zelf denken uit? Er zijn kennelijk anderen die de overtuiging hebben dat God heeft vastgelegd wat er gedacht en gevonden mag worden . En jij kan dan roepen: Maar mijn God laat me zelf denken. Het klinkt alsof er verschillende goden bestaan en dat er altijd wel één is die bij jou past, omdat jij die God zelf gecreëerd hebt.  Het is misschien juister als je zegt: voor mij is God iemand die mij zelf laat denken. Of, zo bedacht ik mij, zou je overal waar de affiches het hebben over ‘Mijn God’ moeten invullen ‘mijn kerk’.  Mijn kerk laat me zelf denken. Mijn kerk trouwt ook homo’s.  Er zijn ook kerken waar men God laat zeggen, waar mensen denken: God heeft verboden dat een man een andere man beminnen mag, dat een vrouwen niet anders dan een man beminnen mag.

Herman van Veen heeft een nieuwe cd uitgebracht. De cabaretier maakt zich in een van de liedjes daarop boos dat sommige mensen menen God in hun zak te hebben en die God gebruiken om daarmee anderen af te kunnen wijzen. Wij luisteren daar nu eerst even naar:

Waar is die God
die zegt
dat mijn zoon
niet anders
dan vrouwen beminnen mag
meneer.

Waar huist die God
die zegt
dat mijn dochter
niet anders
dan mannen
beminnen mag
meneer.

Waar schuilt die God
die van mening is
dat kinderen eigendom
van volwassenen zijn
meneer.

Waar leeft die God
die voelt
dat liefde selectief is
meneer.

Waar spreekt die God
die meent
dat hij of zij
die zoveel meer
en meer nog dan
al die anderen heeft
geen dief is
meneer.

en ik zal knielen
en een kleedje kopen
voortaan gesluierd gaan
en me besnijden
varkenshaasjes laten liggen
bier en wijn vergeten
kippensoepjes eten
mijn handen vouwen
en mijn hele dood en leven
aan hem of haar
het toevertrouwen
meneer.

Waar is die God
waar huist die God
waar schuilt die God
waar leeft die God
waar voelt die God
waar spreekt die God
waar in godsnaam God
meneer.

Het lied roept ons toe: die God van jou sluit anderen uit, maakt bepaalde mensen ongelukkig, die God van jou praat goed dat sommige mensen rijk zijn ten koste van arme mensen. En tegelijk ook: voor mij is God niet zo. Mijn God is anders. Of het lied is een pleidooi om het woord God maar niet meer te gebruiken omdat het dan al gauw fout gaat. Herman van Veen is geen atheïst, geen cynicus, eerder een religieus mens, gevoelig voor het onnoembare, een werkelijkheid die onze woorden en voorstellingen te boven gaan. Zoals de meeste kunstenaars ziet hij meer dan het zichtbare en hoort hij meer dan het hoorbare en zoekt hij naar woorden en muziek die het onzegbare beleefbaar maken. En wel op zo’n manier dat het wonder, het mysterieuze niet banaal wordt gemaakt, geen voer voor onverdraagzame en totalitaire mensen. Huub Oosterhuis dichtte voor een lied dat wij zojuist zongen: Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen en niemand heeft U ooit gezien. Maar wij vermoeden en geloven dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.   Wat Oosterhuis probeert te zeggen in een lied, zo probeert een beeldend kunstenaar dat in kleuren en tekeningen. Judith Herzberg dichtte: zij schildert wat zij niet kan eten, niet kan bezitten, niet beschrijven. Het onomlijnde blijft onomlijnbaar lokken.  Misschien kan je door het woord God te vermijden met meer eerbied cirkelen rond het geheim, het diepste geheim van het bestaan.  Karel Eykman hertaalde dat wat wij in de zogenaamde tien geboden lezen: Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Hij zegt dat zo: Denk niet dat je alles van mij weet als je voor jezelf een vastomlijnd beeld van Mij gemaakt hebt.  Dat ‘Cirkelen rond het geheim’ is ook de titel van een godsdienst filosofisch boek van Jan van Riemsdijk. Zijn overtuiging is, dat geloven – en dan heel breed verstaan en uitgewerkt – een duidelijke functie heeft (naast de wetenschap) voor het leven. ‘Wat’ geloofd wordt, is niet doorslaggevend, maar wel ‘dat’ geloofd wordt. Het besef dat het leven waarde heeft, dat er waarden en idealen zijn die je ervan overtuigen dat ze diepe betekenis en zin hebben.

Cirkelen rond het grote geheim van leven gaat steeds over geborgenheid en eenzaamheid, vreugde en verdriet, gezondheid en ziekte, liefde en haat, over brood en niet bij brood alleen, over dansen en stil staan. En daar tussendoor vangen wij steeds glimpen op van wat je God kan noemen.

Iemand die de diepte van al deze aspecten doorleefde was Edvard Munch, de schilder uit Oslo (1863-1944). U kent hem vast van dat ene schilderij, de Schreeuw. Het drukt het geestelijke leed en de emotionele kwelling uit die de schilder tijdens bepaalde perioden in zijn leven heeft gevoeld. Op een avond wandelde Munch met vrienden terug naar de stad Oslo. Ze bleven staan op een brug. Terwijl zijn vrienden doorliepen bleef Edvard staan, aangegrepen door het landschap en de lucht met de ondergaande zon. Hij hoorde en voelde het landschap rondom hem schreeuwen. Hij kreeg een onmachtig en depressief gevoel. Deze gebeurtenis maakte zo veel indruk op hem dat hij deze gebeurtenis later vastlegde op doek. Voor hem was er vooral de omgang met de tragiek en de wanhoop. Dat had te maken met veel tragiek in zijn eigen leven als met de oorlog en de terreur van zijn tijd, de laatste wereldoorlog. In zijn werk zien we veel van de dood, de liefde, de eenzaamheid, de seksuele angst en de jaloezie. Op zijn doeken wordt licht geworpen op alle wezenlijke menselijke ervaringen en emoties. Munch maakte furore in dezelfde tijd dat Sigmund Freud zijn psychoanalyse ontwikkelde. Zijn schilderijen lijken ‘illustraties van de problemen, die Freud onderzocht’.

Op de liturgie ziet u dat Munch meer heeft geschilderd dan De Schreeuw. Het heet ‘De levensdans’ uit 1900. Ja, er wordt gedanst, het paar links van het maanschijnsel, doet dat vrij, levenslustig, blij. Het paar rechts houdt elkaar vast in een greep en de man trekt een grimas. Drie vrouwen op de voorgrond staan centraal. Links een jonge blonde (ongetrouwde) vrouw met lichte kleding als teken van zuiverheid, in het midden een wat oudere (getrouwde) vrouw die in het rood is gekleed en een bejaarde weduwe, in donkere kledij. De kunstenaar heeft zichzelf afgebeeld naast de rode dame. Munch zelf zocht in zijn leven vrouwen die hem geen kinderen konden brengen, getrouwde, wat oudere vrouwen. Dat had vermoedelijk te maken met een zekere levensangst. Van het schilderij straalt een licht macabere sfeer af. De maan schijnt, er lopen vrouwen met chagrijnige gezichten rond, maar er is ook een glimp van lol: een persoon trekt een soort van grimas en er wordt gedanst.   Heeft dit schilderij met God te maken of heeft het iets religieus? In een kerk zal je niet gauw iets dergelijks zien hangen, nou ja, in De Kapel zou het natuurlijk wel kunnen. Het drukt in een beeld uit waar het leven rondom cirkelt: verwondering en verbijstering, liefde en eenzaamheid, lol en lijden. En God als het verlichtende en soms ook duistere geheim erachter mag je erin zoeken.

De dichter Schulte Nordholt (1920-1995) zei het stamelend en zoekend zo:

God, ik weet het niet wat ik bedoel.
Ik bedoel, want eindeloos probeer
Ik te zeggen wat ik zeggen wil,
Ik bedoel een licht dat niet bestaat,
Ik bedoel het goddelijk gelaat
Dat onzichtbaar is, de stem zo stil
Dat ik hem niet hoor als ik hem eer.

Dat besef dat we in ons leven cirkelen rond een geheim dat je alleen met eerbied mag benaderen, dat kwetsbaar is, waar je geen harde woorden voor moet zoeken, waar je niet te gauw woorden als God op moet plakken, wat doet dat besef met ons leven?  Levert dat een vage, wazige vorm van spiritualiteit op, die alleen maar heel individualistisch en vrijblijvend is?  Of gebeurt er iets dat je ook in beweging zet?  De verwondering om het leven kan je vol van eerbied en respect maken voor al wat leeft en is, de geraaktheid om al het kwetsbare dat je ziet kan je vervullen van compassie, het lelijke en oneerlijk dat je waarneemt kan je in beweging brengen.  Je kan uitroepen: ‘Mijn God…’ Dat is dan niet het begin van een statement, zoals op de affiches van de remonstranten, maar een verbijsterde uitroep, die je aanzet om in actie te komen.  Wie samen met anderen roept ‘mijn God’  vormt al zo’n beetje een geloofsgemeenschap. De verwondering en de verbijstering brengen je bij elkaar om in Godsnaam te werken aan een wereld die leefbaar is voor een ieder en die liefde voelbaar maakt door een ieder.

Amen.

ds Peter Korver