Onderweg naar de kerststal

Elk jaar opnieuw gaat er een grote stoet mensen onderweg om het kerstkind te ontmoeten. Ieder jaar weer wordt het kerstfeest gevierd. Ja, zelfs tegen de verdrukking in. Want wat hier voor ons zo vanzelfsprekend is, dit in vrijheid kerstfeest vieren, is elders niet voor alle mensen weggelegd.

En toch; wereldwijd zijn we onderweg. Vier adventszondagen lang onderweg naar het kind dat wij verwachten.

In de meest donkere tijd van het jaar hopen wij een sprankje van licht te vinden, zoals we ook in de meest donkere tijd van ons leven steeds weer opnieuw hopen op uitkomst, uitzicht en licht.

De één wipt zo even binnen, een ander vier adventszondagen onderweg. Je zou het misschien kunnen vergelijken met de herders en de wijzen. Zowel de herders als de wijzen komen bij het kind.

De herders kregen het kind bijna in de schoot geworpen en mochten, zonder enige voorkennis,  als één van de eersten zomaar even binnen schuiven. Zij waren er stil van en werden geraakt. Zoals we hopen dat ook de mensen die bij ons met kerst zomaar even de Kapel binnen schuiven geraakt worden.

De wijzen waren veel langer onderweg, zoals wij als gemeenschap die vier adventszondagen lang onderweg zijn naar kerst. Wij bereiden ons voor en dat is een mooie kostbare reis waarin wij ook op de halteplaatsen van de vier zondagen aan-geraakt hopen te worden.

Uiteindelijk komen we allen uit bij dit kind, bij dit prille kwetsbare nieuwe leven, een nieuw begin, kind van hoop en essentie van leven. Want is het nieuwe leven wat we doorgegeven niet de essentie van ons bestaan?  Dat willen we het beste geven, het beste wat we te bieden hebben. Nieuw leven geeft hoop. Ja,  wij leggen hoop in nieuw leven. En wat hopen wij dan?

Paul de Blot, hoogleraar spiritualiteit aan de Nyenrode Business Universiteit, verhaalde een aantal jaren geleden over een kerststal, ergens in de bergen van Italië. Een bedevaartplaats waarheen pelgrims onderweg gaan. Ieder jaar opnieuw gaan mensen naar dit kerstkind in de kribbe.

Wanneer je de grot binnengaat wordt de doorgang naarmate je de grot dieper ingaat steeds smaller en smaller om uiteindelijk dood te lopen.

Daar, op die plek, daar waar je naar voren buigt om het kind in de kribbe te vinden, kijk je in een spiegel waarin je eigen gezicht weerspiegeld wordt.

Op de spiegel staat geschreven Hier ben ik mens geworden.

Ik vind het een heel ontroerend beeld wanneer ik dit voor mijzelf voor ogen zie, voor ons als mensen voor ogen zie.

Het kerstverhaal van het kind in de kribbe gaat niet over iets wat lang geleden gebeurde, daar in een stal in Bethlehem. Het gaat niet over God die mens is geworden. Het gaat over ons, het gaat over mij!

Hier ontmoet ik de kern van het kerstverhaal; een verhaal dat gaat over ons mens-zijn. Daar ben ik, een kwetsbaar mens. En ik zie u, als kwetsbare mede-mens.  In u, in mij, is datzelfde goddelijke aanwezig. Wanneer we dat goddelijke in onszelf en elkaar aanzien en herkennen dan worden we mens. Laat dat onze hoop mogen zijn. Mens te worden en te zijn voor elkaar.

Laten we samen onderweg zijn, in een grote stoet die steeds langer wordt, op weg naar de spiegel. Laten we elkaar spiegelen als mens en mede-mens.

Monika Rietveld