Omdat voor hen geen plaats was in de herberg

Kerstmis 2015. We horen opnieuw het kerstevangelie: ‘En zij baarde haar eerstgeboren zoon en wond hem in doeken en legde hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.’ Dat zijn de warme, bijna romantische woorden van de oude Statenvertaling. In de Bijbel in Gewone Taal die in 2014 verscheenJozef en Maria beeld klinkt het directer en harder  ‘… Maria wikkelde hem in een doek en legde Hem in een voerbak voor de dieren. Want er was voor hen nergens plaats om te slapen.’

Voor óns is er wél een plaats om te slapen. Ieder van ons heeft een comfortabel bed in een verwarmd huis. Dat wil echter niet zeggen dat we daar allemaal ook goed slapen. Soms kan je slapeloze nachten hebben vanwege al die mensen die tegen hun zin onderweg zijn. In het kerstevangelie zijn ze van huis en haard gestuurd door de keizer die ze wil inschrijven in de plaats waar hun familie vandaan komt. In onze werkelijkheid zijn ze op de vlucht voor vervolging, bommen en armoede. Hun zorgen zijn van andere aard dan de onze. Zij vragen zich af of er een dak is waaronder ze kunnen verblijven, of er veiligheid en rust is te vinden, vrede. Wij vragen ons af of er niet veel te veel komen, of zij niet zorgen voor onveiligheid en een bedreiging zijn voor onze rust en welvaart.  

We zingen ‘Nu zijt wellekome’, en hebben daarbij niet die Syriërs of Eritreeërs op het oog, maar de Jesu lieve Heer. Die kwam net als de vluchtelingen van nu ‘van alzo veer’ (van zo ver). Hij kwam van alzo hoge en zij van over zee en over land. Voor beiden geldt dat ze in armoede aankwamen en aangewezen waren op de gastvrijheid en goedgevigheid van de mensen die ze tegenkomen. Jezus en zijn ouders vinden geborgenheid bij de herders en ontvangen een vorstelijke uitkering in goud, wierook en mirre. De Syriërs worden ondersteund door al die vrijwilligers die hun nood onderkennen en die menselijke hulp willen bieden. Nee, een vorstelijke uitkering, laat staan in goud, zit er niet in, onze overheid houdt het om electorale redenen wat zuinigjes op een ‘sobere opvang’.

Nu zijt wellekome… Wie is er welkom?  Iemand die komt van alzo hoge. Die is welkom, want die komt vanuit een andere wereld om ons te redden. Het welkom verandert al gauw als het om een berooid kind zonder dak boven het hoofd blijkt te gaan. De vader van dat kind droomt al gauw dat een engel tegen hem zegt ‘Sta op! Je moet met Maria en het kind naar Egypte vluchten.’  Het kind dat geboren is, mag direct een vluchtelingenkind worden.  Voor hem, voor al die miljoenen van vandaag, op weg naar veiliger oorden, is kerstmis geen warm sprookje. Het beroerdste kerstfeest werd wellicht beleefd door hem met wie het begonnen is.

Het kerstevangelie is een hoopvol verhaal. God is geen onbeweeglijke en onbewogen macht, maar één die ons zoekt. Die komt als een licht in onze duisternis, in de nacht van ons bestaan. Hij deelt direct in onze armoede, in ons op de vlucht zijn. Die met zijn voorbeeld ook ons vragend aankijkt om te delen in de angst, de armoede en de zorgen van wie ons tegemoet komen van alzo verre.

Peter Korver