Ik en de ander

helpende-handIn het scheppingsverhaal klinkt al: Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik, God, zal een hulp voor hem maken, iemand die een tegenover is. De mens redt het niet alleen, heeft iemand nodig die steunt, die helpt en die niet alleen zegt en doet wat jij graag zou willen, maar die een tegenover is, die je ook corrigeert en aanvult. Iemand die liefde en leed deelt. Dat kan zijn met een geliefde, maar ook in de relatie van ouders en kinderen, van vrienden, van collega’s, of nog anders.

Leven wij in een tijd waarin we voor elkaar zorgen vanuit een ‘wij-gevoel’ of is onze cultuur er steeds meer een geworden vanuit het ik-denken waarbij de overheid maar moet zorgen voor de anderen die het alleen niet redden? 

De Franse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) uitte fundamentele kritiek op de filosofie van de naoorlogse tijd. Hij spreekt over egologie.  Egologie is dus een vorm van denken die het ego, het autonome ‘ik’ als centrale instantie beschouwt. Het ‘ik’ is het centrum, de medemens is enkel een belemmering voor de persoonlijke ontplooiing.

Al aan het eind van de jaren zestig werd hij in Nederland vertaald. De rest van de wereld, inclusief Frankrijk, zou hem pas veel later ontdekken als een van de belangrijkste denkers van de afgelopen eeuw.

Het ‘ik’ is in de ogen van Levinas helemaal alleen, zelfgenoegzaam en zelfvoldaan. In deze situatie komt verandering zodra in zijn hecht samenhangende wereld een medemens weet binnen te dringen. Nog voordat ik helemaal ‘ik’ kan zijn, doet de ander al een appèl op mij. Hij of zij vraagt: ‘Kijk mij aan, dood mij niet.’ Pas als een ander mij aankijkt en een beroep op mij doet, word ik een ‘ik’, een iemand. Het gelaat van mijn medemens doet mij beseffen wat mij te doen staat. Nog voordat ik ben, is er mijn plicht jegens hem.

Levinas stond daarmee tegenover die andere grote naoorlogse Franse filosoof, Jean-Paul Sartre (1905-1980). Deze schreef al over in de jaren veertig over de ander die mij aanziet. Maar terwijl de blik van die ander volgens Sartre mij van mijn eigen ‘ik’ vervreemdt, maakt die blik volgens Levinas juist duidelijk wat het betekent een ‘ik’ te zijn. Ik wordt pas een ik op het moment dat een ander mijn compassie oproept.  Ik word geroepen om mens, medemens te zijn.  Dat heeft consequenties voor de hele werkelijkheid. Ook die krijgt geen betekenis vanuit mijn grenzeloze vrijheid, zoals Sartre wilde, maar vanuit het gebod dat mij in het gelaat van de ander wordt aangezegd.

Het brengt mij bij de actualiteit. In een tijd van economische crisis moet er vaak bezuinigd worden. Ambtenaren en deskundigen maken berekeningen, op kantoren, achter computers en komen met rationale ideeën en mogelijkheden. Besparingen op de zorg kunnen bewerken – zo redeneren ze op grond van rationele overwegingen –  dat er over een aantal jaren nog geld voor zorg is. Maar bij het opstellen van de plannen zien zij niet de mensen die geraakt gaan worden. Ze kijken niet in de ogen van de bijstandsmoeders, de arbeidsongeschikten, de ouderen die zichzelf maar moeten zien te redden, als ze niet toevallig een netwerk hebben dat ze, ook financieel, kan helpen.

Voor Levinas is dit alles sterk religieus bepaald. De relatie tot God is niet los te zien van de relatie tot de Ander. De Oneindige openbaart zich uitsluitend in het gelaat van de Ander. Wie is God?  De Ongrijpbare die voorbijgegaan is en die mij met de Ander heeft achtergelaten. Wanneer ik antwoord geef op een appel van een ander, ‘zie’ ik God in het gelaat van die weerloze Andere.

Ds Peter Korver