Het aansteken van de (paas)kaars

Bij elke zondagmorgenviering wordt u welkom geheten door een bestuurslid dat vervolgens enige mededelingen doet en daarna de grote kaars laat aansteken door een bezoeker die vlak voor de viering is gevraagd of hij of zij dat wil doen. Het bestuurslid spreekt daarbij uit:

Moge deze vlam in ons ontsteken
het licht van Gods aanwezigheid,
de warmte van mededogen
de gloed van de liefde
en het vuur van de betrokkenheid op de wereld, waarin wij leven.

De kaars valt op door zijn grootte en door de symbolen die er op zijn aangebracht. We zien een kruisteken met het jaartal 2018 met daarboven en daarbeneden de Griekse letters alfa en omega, de eerste en de laatste letter van het alfabet en staan symbool voor begin en einde, Christus die het begin en einde is. Het kruis, zonder corpus, het lichaam van Christus, erop staat symbool voor de opstanding, de overwinning op de dood. Het kaarslicht zelf ook: het duister is overwonnen door het licht van de vlam. We spreken daarom van de Paaskaars.

Over die naam is discussie ontstaan. Waarom noemen we hem zo? Is het niet raar om bijvoorbeeld met kerst te zeggen dat we de paaskaars aansteken? 

Nee, dat is niet raar als je de achtergrond kent. Binnen het christendom is niet kerst, maar Pasen het belangrijkste feest. Christus heeft op een zondagmorgen de kwade machten, de dood overwonnen. Het leven is sterker dan de dood. Daarom is iedere zondag een paasdag, een opstandingsdag en daarom brandt de paaskaars. 

Het gebruik van de paaskaars gaat terug op een eeuwenlange traditie. Al in de tijd van Augustinus (4e eeuw) werd de kaars in de paasnacht ontstoken aan het paasvuur en brandend de kerk binnengebracht onder het driemaal zingen van “Licht van Christus”.

In protestantse kerken is het gebruik van de paaskaars een betrekkelijk jonge en niet algemeen aanvaarde praktijk. Daar heeft het vaak de functie van godslamp gekregen, het hele jaar door brandende licht. In protestantse kerken brandt de paaskaars al als de gemeente binnenkomt. Aan de paaskaars worden alle andere kaarsen (bijvoorbeeld kaarsen op de avondmaalstafel, licht dat meegaat naar de kindernevendienst, de doopkaarsen) aangestoken. In De Kapel is het precies omgekeerd. Voordat de viering begint, branden wel de twee kaarsen op de tafel, maar de paaskaars nog niet. Met een aansteekkaars wordt de vlam overgebracht naar de paaskaars. Dat heeft ook iets moois. Er valt nadruk op het grote licht. Het aansteken is een ritueel, een liturgisch moment geworden. Na afloop van de dienst wordt de kaars gedoofd. In andere tradities wordt de paaskaars definitief gedoofd op Goede Vrijdag. Dat staat symbool voor Christus’ sterven. In de paaswake wordt een nieuwe jaarkaars binnengedragen en aan het paasvuur ontstoken, symbool voor de opstanding.  

De paaskaars staat gewoonlijk bij de doopvont. Niet bij ons. De doopvont staat bij ons in de kast en komt tevoorschijn als er een doopdienst is. Dat was vroeger anders. In een uitvaartdienst staat de paaskaars bij de kist. We stellen de overledene daarmee in het licht van Gods aanwezigheid.

Zeggen we op zondag: we steken de kaars aan of we ontsteken de paaskaars? Ik kies voor het laatste. De symboliek is rijk en we maken daarmee deel uit van een eeuwenoude en wereldwijde traditie.

Peter Korver