Herman van Veen : ‘Dat het hier ooit nog beter worden zal….’

Het was begin 1969 dat ik als puber op radio Veronica voor het eerst een liedje van Herman van Veen hoorde: Suzanne. Direct was ik getroffen. Dit was zo anders dan al die sixties pop. En wat een merkwaardige tekst. Het lied beschrijft de fascinatie voor een meisje, Suzanne, maar ineens gaat het over Jezus, ‘die het water zo vertrouwde dat Hij zomaar over zee liep, omdat Hij had leren houden van de golven en de branding, waarin niemand kan verdrinken. En je wilt wel met Hem meegaan, samen naar de overkant en je moet Hem wel vertrouwen, want Hij houdt al jouw gedachten in Zijn hand’. Sinds die dag bleef ik hem volgen tot op de dag van vandaag. Ik kocht elke single, elke lp en cd. Hoeveel liedjes en teksten hebben me later niet weten te inspireren voor een thema van een kerkdienst!

Herman van Veen groeide op in een arbeidersgezin en studeerde viool en zang aan het Utrechts Conservatorium.  In 1965 maakte hij zijn theaterdebuut samen met Laurens van Rooyen en Erik van der Wurf. Nu, meer dan een halve eeuw later, is hij nog steeds op het podium te vinden. Onveranderd is ook zijn inzet voor de rechten van het kind.

Tijdens zijn kerstconcert van enkele jaren geleden vertelde Herman van Veen hoe hij in zijn kindertijd het kerstfeest beleefde. “We zongen we liedjes bij de kerstboom, van engeltjes die door het luchtruim zwoven, en van die uit het Oosten kwamen, de herders op het veld, van een ster boven een stal en een kindeke in stro, dat Jezus heette. Jezus naam hoorde je de rest van het jaar alleen nog als ome Frans boos was of mijn vader zich met een hamer op z’n vingernagels sloeg. Na de liedjes kwamen de verhalen van toen opa nog een jongetje was, over kerstmis in de oorlog, die van 14-18 en van die daarna kwam, de ergste van allemaal. En hoe later de avond, hoe fantastischer de verhalen…”

Zangers en cabaretiers die eind jaren zestig van zich lieten horen, liepen meestal voorop in de kritiek op de bestaande verhoudingen en zij vierden een nieuwe vrijheid, eindelijk los van kerk en traditie. De aandacht die Herman van Veen tussen deze vernieuwers toch steeds toonde voor een begrip als ‘God’ en voor het kerstfeest was opvallend. In 1979 bracht hij in samenwerking met het barokensemble van Ton Koopman een album met oud-Hollandse kerstliederen uit. Vijftien jaar later maakten zij een vervolgplaat, ‘Stille nacht’, met stijlvolle bewerkingen van kerstliederen in verschillende talen. Daarmee gaf hij een getrouwe inkleuring van een stukje traditie. Anders werd het toen hij in 2000 met een eigen navertelling kwam van het kerstverhaal. In dit programma, ‘Er was eens’, zong en vertelde hij, voor kinderen en volwassenen, over de betekenis van het oude verhaal en deed dat vanuit het perspectief van Jozef. De engel verschijnt niet aan Maria, maar aan ‘de timmerman’ en zegt: “Over een poosje zal je vriendin een baby krijgen… en die zul je Zoon van God noemen.” En, ter toelichting voor de moderne luisteraar: “In die tijd geloofden op enkele uitzonderingen na, bijna alle mensen in één God die alles had gemaakt.”  Voor de één is ‘God de wolk die reist door de lucht / God is de traan, de glimlach, de zucht’, zo weet de zanger, maar voor de ander ‘zit God op een troon van puur goud / een vent in de hemel / omgeven door engelen / een eeuwigheid oud’. In een liedje van tien jaar geleden voegde hij aan deze gedachten nog toe : “God is een woord / God is een naam / die in je hart / die in je hart / woont / God is gratis.”  Meer in het algemeen schreef hij eens: “Laat God op niemand lijken. Op niks of iemand die ik ken.”

Met zijn dromen, met liedjes, met ‘God’, met zijn werk voor en met kinderen en zijn warme aandacht voor het kerstfeest gaat de inmiddels 72-jarige Herman van Veen ons voor op een hoopvolle weg naar de toekomst, ondanks alles.

‘En we zingen hier van Kyrie Eleison
en van een kind in een donkere stal
ieder jaar wordt onze hoop herboren
dat ’t hier ooit nog beter worden zal.’

Peter Korver