Herdenkingsviering 6 november 2016

Overdenking

Als het donker is breng je licht door een kaars aan te steken, zodat we alles beter kunnen zien. Met het licht voel je je veiliger, je kan je beter oriënteren, je ziet, je ziet de dieren en de schoonheid van de natuur, je ziet andere mensen.  Je ziet hoe ze je aankijken, toelachen, hoe ze zijn net als jij. Licht vrolijkt ons op. Hoe meer en hoe langer zonlicht hoe warmer en beter wij ons voelen. Het was niet voor niets dat het eerste scheppingswerk van God was dat Hij zei “Er moet licht komen”. En het was er, en het was goed en God scheidde het licht van de duisternis. 

Licht en duisternis
Leven en dood
Liefde en haat
Goed en kwaad.

Het zijn de tegenstellingen die de kwaliteit van ons leven bepalen.   En met de beide gezichten die het leven opzet, krijgen we allemaal vroeger of later te maken. Onze kinderen  geven we het liefste en zoveel mogelijk de lichtkant mee:  uitbundig leven, veel liefde en alles wat goed is. Maar onvermijdelijk dringt de duistere kant van het leven zich ook op aan de jonge mens. Het duister waarvan je bang wordt, de ruzies, de jaloezie, het geweld.  Het is de lichte kant van het leven die we koesteren en de duistere die we proberen te verdrijven. Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft, zo zingen we met het bekende Taizé-gezang. 

Het was in mijn eerste gemeente, de NPB van Weesp. Tijdens de diensten daar werd geen kaars aangestoken. Ik vroeg een het bestuur of we niet iedere zondag konden beginnen met het aansteken van een kaars. ‘Je kan wel zien dat hij van katholieke huize bent’, zei de voorzitter. Maar dit  kleine liturgische gebruik kwam er wel, nu 32 jaar later. Vele jaren later kwam ik in deze Kapel. Mijn toenmalige collega en ik pleitten ervoor dat ieder jaar met Pasen een nieuwe paaskaars in gebruik werd genomen. Dat doen we hier niet, dat roomse gedoe, sprak de voorzitter. De paaskaars kwam er toch, een symbool van de opstanding, van het leven dat sterker is dan de dood. 

Ondertussen gaven al heel wat leden van onze vrijzinnige geloofsgemeenschap toe dat als zij op vakantie zijn in andere landen zij de kathedralen en kapellen die ze tegenkomen binnengaan en daar een kaarsje branden. Daar wel. Daar vielen alle vrijzinnige bezwaren weg. Maar inmiddels is het een goede traditie geworden, hier en in de meeste PKN-kerken om één keer per jaar de overledenen te gedenken. Opnieuw wordt van iemand die er niet meer is, de naam hardop uitgesproken en daarbij een kaars aangestoken. Het is een emotioneel moment en ook familieleden of vrienden die niet veel met de kerk op hebben, komen speciaal. Als dan gezegd wordt ‘moge zij opgenomen zijn in Gods Eeuwig Licht’ dan voelt iedereen  daar iets goeds bij. Je kan dat vertalen als een wens: dat zij niet vergeten zal worden, dat het goed mag zijn nu, na haar overgang naar die onbekende wereld. Moge zij teruggekeerd zijn naar het licht waar zij ooit uit is voortgekomen. Met het lichtje dat we ontsteken voor haar omringen we haar opnieuw met onze liefde, onze warmte, stellen we haar weer in het licht en is ze bijna zichtbaar en voelbaar bij ons. En we denken, of we zeggen of we bidden daarbij: dank dat jij er was, ik mis je, moge de gedachtenis aan jou mij kracht geven. 

De tweede betekenis is dat de kaars altijd kan blijven branden, tenminste het vlammetje van de kaars. De kaars gaat op, maar met een nieuwe kaars kan je het vlammetje laten branden, je geeft het vlammetje door aan een nieuwe kaars als de oude op is. Al het leven begint, leeft, en raakt op, maar onderweg wordt het leven weer doorgegeven aan nieuwe mensen die geboren worden. Zo laten we zien dat er altijd licht blijft, en dat er altijd leven blijft. En dat wat goed was aan het leven van zij die er niet meer is, doorwerkt in de kinderen, de kleinkinderen, de familie, de vrienden. Geef het licht door, houd de kaars brandende. 

Misschien steekt u thuis ook wel eens een kaarsje aan, bijvoorbeeld naast de ingelijste foto van iemand die u mist. Zo is hij er wat meer bij dan wanneer er geen kaarsje brandt. Misschien belooft u een vriendin die geopereerd gaat worden dat u op dat moment een kaars zal aansteken. Of aan uw kleinkind dat een examen gaat doen. Teken van warme verbondenheid. Ik denk dan aan je, zeg je eigenlijk, ik bid dat het goed zal gaan. En misschien zouden we in deze Kapel ook een vaste plek moeten hebben waar iedereen die daar behoefte aan heeft zondags voor de dienst een lichtje kan aansteken. 

Op een dag als vandaag worden we opnieuw geplaatst tegenover het gegeven van onze tijdelijkheid. Dat het tijdelijk is, kan ons ook scherp de schoonheid van het leven, het bijzondere inprenten. In Zuid-Amerika wordt door velen hardop en bijna dagelijks gezongen een liet van Violeta Parra: 

Dank aan het leven, dat mij zoveel heeft gegeven,
Het heeft mij twee ogen gegeven, als ik ze ver genoeg open
kan ik zwart van wit onderscheiden,
kan ik de met sterren bedekte eindeloosheid van het heelal zien. 

Binnen die eindeloosheid van het universum is uiteindelijk vooral die ene andere mens die je liefhebt het belangrijkste. Het moeilijkste is het wegvallen van degenen die je graag bij je zou willen houden. Degenen die mij lief zijn er nu, maar eens zullen zij het leven moeten teruggeven en zijn ze niet meer. 

Een van de vrienden van Job houdt hem in al zijn ellende voor: 

Een mens, geboren uit een vrouw –
kort zijn zijn dagen, doordrenkt van onrust.
Als een bloem ontluikt hij en verwelkt,
hij vlucht als een schaduw en ze houdt geen stand.
Als een mens sterft – kan hij dan herleven?

Ida Gerhardt dichtte:

Langzaam zie ik hen gaan
die ik nog bij mij had
de bocht om van het pad.
Wat gouddoorschenen stof,
dan wordt het in de hof
nog stiller dan voorheen.
De liefsten – Eén voor één.

Voor hem rest kennelijk de bittere constatering en de cynische vraag, de retorische vraag of een dierbare kan opstaan uit de dood. Nee dus, hoor je hem denken.

Maar niet iedereen heeft die beleving. Augustinus, de kerkvader van 16 eeuwen terug, liet een geliefde die het tijdelijke voor het eeuwige had verwisseld zeggen:

Ween niet. 
De dood is niets.
Ik ben slechts naar de andere kant. 
Ik ben mezelf, jij bent jezelf. 
Wat we voor elkaar waren, zijn we nog altijd. 
Noem me zoals je me steeds genoemd hebt. 
Spreek tegen me zoals weleer, 
op dezelfde toon, niet plechtig, niet triest. 

 Lach om me wat ons samen heeft doen lachen. 
Denk aan mij, bid met mij. 
Spreek mijn naam uit thuis, 
zoals je altijd gedaan hebt 
zonder hem te benadrukken, zonder een zweem van droefheid. 
Het leven is wat het altijd is geweest. 
De draad is niet gebroken. 
Waarom zou ik uit je gedachten zijn? 
Omdat je me niet meer ziet? 
Nee, ik ben niet ver, juist aan de andere kant van de weg. 
Zie je, alles is goed. 
Je zult mijn hart opnieuw ontdekken en er de tederheid terugvinden. 
Dus, droog je tranen en ween niet, als je van me houdt. 

Ondertussen hebben de levenden ook elkaar. Soms moeten we iemand laten gaan, maar wij levenden hebben ook elkaar. En de Levende met een hoofdletter, omgeeft ons ook. 

aquarel-andreas-fercherLaten wij ons tot slot inspireren door het aquarel dat is afgebeeld op deze liturgie. Die is gemaakt door de Duitse kunstenaar Andreas Felger. Hij is nu 81 en hij woonde in het verleden zo’n 18 jaar in een christelijke communiteit. In al zijn werk spelen licht, engelen, een andere werkelijkheid een rol. 

Een met licht gevulde cirkel domineert deze aquarel. Hij is omringd door een smalle grijze ring. Het lijkt wel een opening midden tegen een blauwe vierkanten achtergrond. Is ons een blik in de hemel gegund? In het midden zien we twee smalle, opgerichte rechthoeken. Door de soepele randen en de buiging die ze maken, doen ze ons denken aan mensen, ook al ontbreken de anatomische details. Ze staan dicht bij elkaar en ja ze wenden zich naar elkaar, ze neigen naar elkaar. 

De grootste gestalte is rood, de kleur van bloed en leven en de kleur van de liefde. Zij staat stevig op zichzelf en kan zich buigen over die kleine en die steun geven. Kijk, die kleine gestalte kan alleen staande blijven door de ander aan te leunen. Haar groene kleur doet denken aan het groen van planten en bomen, die op de aarde groeien. De vormen zijn abstract, de kleuren symbolisch, maar het is voldoende om ze te kunnen duiden als symbolen voor God en de mensen. De Schepper van het leven en van de liefde naast degene die door Hem geschapen is naar zijn beeld en gelijkenis, die eens zal vergaan zoals de planten en de bloemen. We hoorden daar de vriend van Job al over. 

Misschien doet deze abstracte afbeelding u nog aan een ander bijbels verhaal denken, aan dat van de terugkeer van de verloren zoon. Ik heb voor ogen dat ontroerende schilderij van Rembrandt, waar deze aquarel een abstracte weergave van lijkt te zijn. Nadat hij lange tijd zich van zijn vader heeft afgekeerd en in een ver land een verdorven leven heeft geleid, komt hij terug en hem treft geen boosheid en verwijt, maar een ontferming en geborgenheid. Want zie, hij, de vader buigt zich voorover naar hem en hij, de zoon kruipt naar hem op en ze vermengen. De figuurtjes hier zijn geplaatst in een groot helder licht, dat van Gods directe aanwezigheid, terwijl de kleur van de hemel, het blauw er ruimte aan biedt. 

Wanneer je zo kijkt naar die twee in het heldere licht staande figuren en de associatie hebt met de verloren zoon die terugkeert naar daar waar hij ooit vandaan kwam, dan kan de wens opkomen om ook zelf eens omarmt te worden door God zoals de teruggekeerde zoon. Het verlangen wordt gewekt om met al je onzekerheden en angsten op Hem te mogen leunen en dan geborgenheid te mogen ervaren. Dit religieuze verlangen is een soort oerhouding van gelovige mensen. In het gesprek dat je vervolgens met God hebt, zijn niet veel woorden meer nodig. 

Heeft Andreas Felger het geheim van onze bestemming, in leven en dood, getroffen? De kleine lichtjes die wij vanmorgen hebben aangestoken, drukken niet veel meer uit dan een stukje hoop dat we durven te koesteren, zijn niet meer dan een afglans van het grote licht waarin wij eens opgenomen mogen worden, de werkelijkheid van Gods oneindige ontferming.

Moge het zo zijn. 

ds Peter Korver

 

Duitse tekst bij de afbeelding

Ein mit Licht erfüllter Kreis dominiert die Komposition dieses Aquarells. Er ist von einem schmalen grauen Ring eingefasst und zeigt sich wie eine Öffnung im blauen Hintergrund des Quadrates. Ein Blick in den Himmel? In seiner Mitte zwei schmale, aufgerichtete Rechtecke. Durch ihre organischen Ränder und die geneigten Formen erinnern sie auch ohne anatomische Details an Menschen, die sich nahe stehen, ja in ihrer Zuwendung einander zugeneigt sind.

Die größere Gestalt ist ganz im Rot des Blutes und des Lebens sowie der Liebe gehalten. Sie steht in sich selbst, kann sich der kleineren Gestalt zuneigen und ihr Halt geben. Denn diese schwach s-förmig geschwungene Figur besteht nur in der Anlehnung. Ihre grüne Farbe lässt an das Grün der Pflanzen und Bäume denken, die auf der Erde wachsen.

Die wenigen Angaben genügen, um die beiden Rechtecke als Symbole für Gott und den Menschen deuten zu können – den Schöpfer des Lebens und der Liebe sowie sein aus Erde geschaffenes Abbild (Gen 1,27), das wie die Pflanzen wächst und vergeht (vgl. dazu Ps 90,5-6; 103,13-18).

Die beiden Gestalten erinnern in ihrer Beziehung an die Rückkehr des verlorenen Sohnes. Nach der langen Zeit in der Ferne findet er bei seinem Vater jene Barmherzigkeit und Geborgenheit wieder, die seinem Leben Halt und Sinn gibt (Lk 15,11-32). Beeindruckend hat der Künstler die Herzlichkeit und Innigkeit der Begegnung durch das Überlappen und ineinander Verschränken der beiden Farben und Formen dargestellt. Der Sohn taucht tief in die Wirklichkeit Gottes ein und Gott schenkt ihm trotz allem erlittenen Schmerz seine ungeteilte Liebe. Gestalterisch bringt dies der Künstler durch das „Ausbluten“ der roten Farbe in den grün-gelben Bereich hinein zur Sprache.

Die Betrachtung der beiden im Licht stehenden Gestalten und der Bildgeschichte vom verlorenen Sohn können den Wunsch aufkommen lassen, von Gott so herzlich umarmt zu werden wie der zurückgekehrte Sohn. Die Sehnsucht wird geweckt, sich mit allen Unsicherheiten und Ängsten bei Ihm anzulehnen und Zuneigung und Halt zu finden. Diese Grundhaltung des Gläubigen wird dann im Gespräch mit Gott nicht mehr viele Worte brauchen. Das ganze Vertrauen und die wissende Nähe Gottes floss bei Jesu in die familiär-zärtliche Anrede „Abba – lieber Vater“ hinein (Mk 14,36). Und er empfahl seinen Zuhörern mit den einfachen, von herzlicher Nähe und Barmherzigkeit geprägten Worten des „Vater unser“ zu beten: „Vater unser im Himmel, … Gib uns unser tägliches Brot. Vergib uns unsere Schuld, wie auch wir vergeben unseren Schuldigern. …“ (Mt 6,9-13).

Über den „Blick in den Himmel“ hinaus führt dieses Aquarell den Betrachter ins Gebet und an das Herz Gottes. Es lässt nicht nur mit den Augen die uns Menschen zugewandte Liebe Gottes sehen. Das Aquarell ermöglicht so dem Betrachter, die göttliche Liebe mit dem Herzen zu erfahren und sich gewissermaßen „im Himmel“ wiederzufinden.

Joachim Wanke, Andreas Felger, Gottesnähe – Vater unser, Präsenz Kunst & Buch, 2005, ISBN 3-87630-526-8 (Aquarelle und Zeichnungen von Andreas Felger, Betrachtungen von Bischof Dr. Joachim Wanke)

Außerdem ist ein Leporello mit allen 14 Aquarellen und einer Betrachtung auf der Rückseite im Buchhandel erhältlich.

Patrik Scherrer 14.10.2006