Eigen volk eerst – Overweging 27 juli 2014

vlag-halfstokAan het begin van deze dienst staan wij stil bij de tragische dood van 13 Hilversummers bij de aanslag op het vliegtuig waarmee zij op donderdag 17 juli over het oosten van de Oekraïne vlogen. Drie gezinnen, vaders, moeders en zeven kinderen werd wreed het leven ontnomen. We kennen allemaal wel één of meer van hen of anders iemand uit de kring waarin zij leefden. Twee van hen waren oud-gemeenteraadslid, de kinderen gingen naar het Comenius College en het Roland Holst college. Eén van hen was advocaat. We kenden hen van sportverenigingen. We zijn ontsteld en het ontbreekt ons aan de goede woorden. In onze gedachten en gebeden zijn we vandaag bij hen en bij allen die het verdriet en de pijn om dit gebeuren moeten dragen. Voor ieder van hen ontsteken we licht.

Lezing: Deuteronomium 10 : 17-22
17 Want de Eeuwige, uw God, is de hoogste God en Heer. Hij is de grote, de machtige, de ontzagwekkende God. Hij handelt zonder aanzien des persoons en is onomkoopbaar; 18 hij verschaft weduwen en wezen recht, neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding. 19 Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte.

20 Toon ontzag voor de Eeuwige, uw God, dien hem, wees hem toegedaan en zweer alleen bij zijn naam. 21 Zing zijn lof, hij is uw God! U hebt met eigen ogen gezien welke grootse, indrukwekkende daden hij voor u heeft verricht: 22 met zeventig personen trokken uw voorouders naar Egypte, maar nu heeft hij u zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel!

Lezing: Mat 15 : 21-28
21 En weer vertrok Jezus; hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22 Plotseling klonk de roep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ 23 Maar hij keurde haar geen woord waardig. Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen.’ 24 Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’ 25 Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor hem neer en zei: ‘Heer, help mij!’ 26 Hij antwoordde: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.’ 27 Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’ 28 Toen antwoordde Jezus haar: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen.

PREEK

Het is hoogzomer, we genieten graag van de zon, van de warme kleuren van dit seizoen, van een vakantie. Maar het lijkt alsof de harde wereld het ons gewoon niet gunt. Oorlog in Israël, oorlog in Syrië, oorlog in de Oekraïne. Herdenkingen van de eerste wereldoorlog. Dat was allemaal nog ver weg, in afstand en in tijd. Maar de afgelopen anderhalve week bleek dat oorlog niet een ver van ons bed televisieshow was. Wie had gedacht dat er in Hilversum zoveel oorlogsslachtoffers zouden vallen? Gewone mensen, vaders, moeders, met hun kinderen op vakantie mogen betalen met hun leven voor een conflict waarmee ze helemaal niets te maken hebben. De ontzetting in onze regio is enorm. Als 14-jarige weet je ineens dat een klasgenoot nooit meer terug zal komen, als docent uit Hilversum weet je dat enkele leerlingen die je nog maar net goede vakantie hebt gewenst niet meer terugkomen, maar ook een collega-docent. De hockeyclub hoort dat de penningsmeester er niet meer is. De bewoners van een huis bij jou in de straat zullen daar niet meer komen. En zo zijn er meer voorbeelden van hoe dichtbij oorlog en dood kunnen komen.  En we worden er weer met de neus op gedrukt hoe kwetsbaar ieder van ons is, maar ook hoe kwetsbaar de relaties zijn waarin wij staan. Degenen met wie je werkt, zij die deel van jouw leven uitmaken, mensen van wie je houdt, ze kunnen je zomaar ontnomen worden.

Deze week zijn we dicht met onze gedachten, onze gevoelens, ons gebed bij al die mensen in onze omgeving die getroffen zijn. En we komen hier, in de kerk, en zouden kunnen zingen: ‘Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft, dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede’. Dat staat in lied 221, dat als titel heeft ‘Zo vriendelijk en veilig als het licht’.  Hier in de kerk hopen we woorden aangereikt te krijgen die ons troosten, die ons nieuwe moed geven, die onze onrust kan verzachten. Maar u hoorde het al: de bijbelteksten vandaag bieden geen geruststellende woorden die onze ziel balsemt. Zowel Mozes als Jezus confronteren ons met de harde werkelijkheid van de wereld waarin we leven. Een wereld waarin mensen op drift zijn, waar weinig inleving is en zorg is voor vreemdelingen.  Israël dwaalt na de uittocht uit Egypte al jaren uitgeput door de woestijn. Er is nog geen helder uitzicht op een eigen land.  Het heeft een leider, Mozes. In de omstandigheden waar zijn groep zich in bevindt, kan niet anders gelden dan dat zijn uitgangspunt is: eigen volk eerst. En niet alleen eerst. Alléén het eigen volk. Maar Mozes is meer dan een man van zijn eigen volk. Hij is meer dan een man vóór het volk. Hij is geen populist, die zegt wat mensen graag horen en doet dat wat zij graag willen dat hij doet. Dat komt door zijn dubbele loyaliteit. Hij is ook een man Gods. Hij voelt zich verbonden met dat wat groter, omvattender is, dan alleen het hier en nu en zijn eigen groep. Het besef dat zijn leven en dat van de mensen waar hij leiding aan geeft deel uitmaken van een grote mensengeschiedenis, van iets universeels, iets eeuwigs, maakt dat hij compassie kan voelen met hen die niet direct deel uitmaken van zijn groep. En hij houdt de andere sjokkers door de woestijn voor: ‘Neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding. Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte.’ Is dat niet werkelijk leiderschap? Dat je enerzijds opkomt voor de mensen die aan je zijn toevertrouwd en anderzijds diezelfde mensen visie biedt op de toekomst en ze brengt tot mededogen voor anderen?

‘Eigen volk eerst,’ klinkt het in het oosten van de Oekraïne. De compassie richt zich op de eigen verongelijktheid, het te kort gedaan zijn. Er kan niet echt ruimte meer zijn voor het leed en de belangen van anderen. En de gedachten komen als vanzelf bij de staat Israël en bij de Palestijnse autoriteit. Hoe wordt bij alle complexiteit van problemen, bij alle haat en verdriet, bij al het geweld leiding gegeven aan deze twee volkeren? ‘Eigen volk eerst’, klinkt het aan twee kanten. Wij worden bedreigd door de ander. Alleen door die ander militair uit te schakelen, kan vrede voor onze eigen groep bereikt worden. Waren er maar leiders als Mozes die konden inbrengen ‘neemt de vreemdeling in bescherming, behandel de vreemdeling met liefde’. Godsdienstige leiders als Jezus die zeggen ‘heb je naaste lief want hij is net als jij’.

Vandaag confronteert het evangelie ons met een heel andere Jezus. Een Jezus die het ‘eigen volk eerst’ huldigt, die ronduit zegt ‘ik ben er alleen voor de mensen van mijn eigen volk’. Die onaangedaan is en geen compassie toont voor het leed van de vrouw die zich tot hem wendt. ‘Maar hij keurde haar geen woord waardig’. En zijn leerlingen zijn even hardvochtig: ‘Stuur haar toch weg’. Maar het ergste komt nog als Jezus de vrouw niet langer kan negeren en haar toevoegt: : ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.’  Als ik iets voor jou doe, dan doe ik mijn eigen mensen tekort. Jij, vertegenwoordiger van een ander volk bent voor mij niet meer dan een hond. Wat is dit voor houding, wat is dit voor taal? Menig populistisch politicus in het Europa van vandaag de dag, die meent dat de vreemdeling parasiteert op het eigen volk, zal toch oppassen om het zo te zeggen.

Is deze Jezus dezelfde als van wie gezegd wordt: “En Jezus, de scharen ziende, werd hij met innerlijke ontferming over hen bewogen, daar zij waren als schapen zonder herder” Hier is niets van die fameuze ontferming te bespeuren. Integendeel: Hij verhardt zijn hart.

Deze vrouw uit dat heidense gebied roept : Heb medelijden met mij, roept ze, Heer ontferm u, bidt zij, letterlijk: Kyrie eleison. Het smeekgebed van de kerk van alle eeuwen….

Waarom is het zo moeilijk om mededogen te hebben met anderen dan zij die tot jouw groep behoren, zelfs voor Jezus? Jezus die zich ontfermt over allen die vermoeid en belast zijn, negeert haar. Tot die ‘allen’ lijken buitenlanders niet te behoren. Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls, zegt Jezus…  Hij wil met andere woorden die heidense vrouw niet helpen, omdat zij een niet-Jood is, een heidin.

Het verhaal eindigt hier echter niet mee, goddank. Het lijkt wel of de vrouw door deze harde taal van de wereld nog steviger op haar benen komt te staan. Ze wordt uitgedaagd om voor zichzelf op te komen. Zij houdt vol, zij laat zich niet ontmoedigen noch wegsturen. Als Jezus zegt ‘Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen’, dan is dat een opmerking waar de honden geen brood van lusten.

Maar onmiddellijk reageert de vrouw en spreekt de historische woorden, haar als bij ingeving geschonken: ‘Jazeker, Heer, zo is het, maar: ook de honden eten toch van de kruimels die van de tafel van hun heren vallen!

We kijken er van op. Die is gevat, die durft. En dat in een tijd, in een cultuur die vrouwen bepaalt niet aanmoedigt om tegen een man in te gaan.

Velen hebben in de loop van Jezus leven gepoogd in twistgesprekken en debatten Jezus te vangen op zijn woorden. Niemand is het gelukt. Maar deze heidense vrouw slaagt er wel in. Ze verslaat Jezus met zijn eigen vergelijking, vangt hem in zijn woorden. En Jezus weet even niets meer te zeggen en kan dan vervolgens enkel maar de vrouw gelijk geven èn dus gehoorgeven aan haar smeekbede.

Die Jezus heeft een wat al te menselijke kant, naast zijn gegrepen zijn – op zijn beste momenten – door Gods Geest. De vrouw weet dat de mens  niet alleen maar onderworpen is aan een macht die over haar is gesteld en waar zij zich alleen maar naar voegen kan. Zij mag voor zichzelf opkomen, zich verzetten tegen onheil dat opgelegd lijkt te zijn door een hogere, onzichtbare macht. En ook Jezus lijkt te vermurwen:  ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen. Het lijkt erop dat de vrouw Jezus heeft bekeerd. Waar hij een moment eerder in het onwillige contact met de vrouw zegt: “Het is niet goed dat..” daar is het een moment later : ‘Vrouw, groot is uw geloof: Wat u verlangt, zal ook gebeuren! Hij wordt door haar zelfbewuste en volhardende opstelling weer terug gebracht naar zijn missie, en die is om God zichtbaar aanwezig te laten zijn in deze wereld. Jezus, mens én God in ons midden.

En van dat ogenblik af is de demon die daar heerste in het heidenland verslagen. Een demon, een boze geest, is uit op verwarring, chaos, vernietiging. Je kan in de greep zijn van krachten die je verwarren, die chaos in je scheppen en die je leven dreigen te vernietigen. De vrouw wil haar dochter niet overgeven aan de duistere krachten van de demon. Zij treedt voor haar helend op door met inzet van volhardendheid en gevatheid.

Geloven wij in demonen? Misschien worden wij in deze weken geconfronteerd met meerdere: de demon van eigen volk eerst, van geloof in geweld. Laten we die bij elkaar uitdrijven. Misschien kunnen wij ons open stellen voor de gaven van Gods heilige Geest, die ons krachtig in deze wereld doet staan, die ons vervult met compassie, verzoening en vrede.

Laten we daarmee elkaar opvangen en moed geven. Het kan niet alleen van God komen. Die laat ons het verschil maken.

Amen

Peter Korver