Bent u misschien een religieus-atheïst?

In Leiden werd op 5 oktober het 100-jarig bestaan van het Convent van remonstrantse predikanten gevierd. Het was in 1917 dat er een collegiaal verband werd opgericht om elkaar te inspireren en te steunen bij ‘de eischen en moeilijkheden die het ambt ons stelt’. De feestredenaar van deze dag was de godsdienstfilosoof dr. Taede Smedes die vorig jaar het boek ‘God iets of niets?’ publiceerde. Hij stelt vast dat het theïsme voorbij is. De meeste mensen kunnen niet geloven dat er een God is die als een oppermachtig persoon ingrijpt in de werkelijkheid. Dat is rationeel ongeloofwaardig. In 1966 geloofde nog 61% in een persoonlijk God, in 2015 nog maar 17%. Dat betekent echter niet dat er geen besef van het goddelijke, dat er geen religieus besef meer is. Je kan dan een religieuze atheïst zijn met een gevoel voor het oneindige, voor het mysterie. 

De Duitse filosoof en theoloog Schleiermacher (1768-1834) kende het gevoel voor het oneindige dat ontstaat bij het ‘anschauen’ van het universum. Zo zijn er zijn nu religieuze atheïsten. Ze zijn de polarisatie met de belijders van een godsdienst voorbij en worden vervuld van ontzag voor dat overweldigende grote van het bestaan en neigen naar mystiek. In het midden van de werkelijkheid ervaren zij een geheim. Zij ervaren dat de zin en de betekenis van het leven zich laat ontdekken. De geniale Albert Einstein (1879-1955) geloofde niet in een persoonlijke god (zoals o.a. joden, christenen en moslims dat wel doen). Maar religieus mag je hem noemen in zijn bewondering voor de structuur van het universum. Einstein, besefte hoe de mens zich klein en nietig kan voelen tegenover het oneindige heelal. Hij zei dat het mooiste dan toch de emotie van de verwondering is; die heft je vervreemdheid tegenover de kosmos op. De religieuze atheïst kan weliswaar de gedachte van een persoonlijke God verwerpen, maar ook beseffen dat je als mens verknoopt bent met al het andere leven en dat je opgenomen bent in een omvattend geheel.

Wie dit boek ‘God, iets of niets?’ leest ziet in dat de tegenstelling tussen hen die in God geloven en zij die dat niet doen, een veel te grove is. Daartussen is een breed veld van religieuze verwondering. Geloven is niet een overtuiging (een ‘belief’) maar een houding van vertrouwen (‘faith’); dat de werkelijkheid ten diepste goed is. Ook als we leven in een wereld zonder God zijn er gebeurtenissen in de wereld die aanleiding geven om te blijven spreken van het heilige en het transcendente. Van orthodox gelovigen zegt hij: “Ze geloven niet in God, maar ze geloven  in hun eigen geloof”.

Voor vrijzinnigen kan het wringen. Enerzijds hebben zij veel moeite als we uit de bijbel zouden moeten begrijpen dat God een persoon is die ingrijpt in het bestaan, anderzijds geven de bijbelse verhalen inspiratie en stimuleren zij ons om ons in te zetten voor de naasten en voor een wereld van vrede en gerechtigheid. Het boek van Smedes kan bijdragen aan een goed gesprek over deze vragen.

Peter Korver